|
BPA DEURNE-DORP | |
|
1. VOORAFGAANDE ALGEMENE BEPALINGEN
Het Bijzonder Plan van Aanleg is begrensd volgens de aanduidingen van bijgaand plan. De grafische gegevens van het plan en de reglementaire voorschriften ervan vullen elkaar aan. In geval van tegenstrijdige gegevens hebben de gequoteerde grafische gegevens voorrang.
Binnen de grenzen van dit BPA blijven de gemeentelijke bouwverordeningen, de klasseringsbesluiten en de speciale wettelijke bepalingen van toepassing, tenzij anders bepaald in dit BPA. De bepalingen van dit BPA mogen nooit toegepast worden ten nadele van bestaande erfdienstbaarheden, al dan niet van openbaar nut en voorkomende uit bijzondere reglementeringen.
Voor de gevallen waarbij kadastrale afwijkingen op het plan voorkomen ten overstaan van de situaties op plan aangegeven, kunnen de bestemmingen aangepast worden rekening houdend met de kadastrale juistheid.
De bepalingen van de vergunde verkavelingen gelegen in het BPA blijven van kracht ook al wijken zij af van de voorschriften van het BPA. Nieuwe verkavelingen kunnen enkele vergund worden binnen de voorschriften van het BPA.
2. TERMINOLOGIE Aaneengesloten bebouwing Gebouwen met twee gemene zijgevels of wachtgevels. Ambachtelijk bedrijf Bedrijf betrekking hebbend op een ambacht, een vak. Autobergplaats Gebouw geschikt voor het stallen van één of meer auto’s met uitsluiting van enig bedrijf. Balkon Open uitbouw op de bovenverdieping van een huis. Bebouwingscoëfficiënt De verhouding van de bebouwde grondoppervlakte tot de totale perceelsoppervlakte. Bergplaats Gebouw dat tot berging wordt aangewend, met uitsluiting van enig bedrijf. Bijgebouw Gebouw functioneel horende bij een hoofdgebouw. Bouwhoogte Hoogte van een bouwwerk die, indien niet anders aangeduid, moet worden gemeten van het grondpeil tot de bovenkant van de deksteen of kroonlijst. Bovenverdieping Verdieping, hoger dan het gelijkvloers. Constructie Elk bouwwerk van hout, steen, metaal of ander bouwmateriaal dat hetzij met de grond verbonden is, hetzij op de grond geplaatst is en zodanige afmetingen heeft dat het niet zonder voorbereidende werkzaamheden kan worden verplaatst. Dakkapel Hoog geplaatst dakvenster met spitse kap. Daktuin Terras op een vlak dak met beplanting in een aardlaag of in bakken. Eéngezinswoning Een woongelegenheid voor één gezin. Erker Uitbouwsel aan een gevel dat zich over één of meer verdiepingen uitstrekt. Gebouw Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met doorgaande muren omsloten ruimte vormt. Gelijkvloers Op dezelfde hoogte als de begane grond. Gesloten bebouwing Gebouwen in groepen zoals aangeduid op plan, met een minimum van 6 aaneengesloten gebouwen. Groenterreinindex De groenterreinindex geeft de verhouding van de oppervlakte aan groen ten opzichte van de oppervlakte van het volledige terrein. Harmonische samenhang Met harmonische samenhang wordt bedoeld dat een klaarblijkelijk verband bestaat tussen gebouwenreeksen, gebouwen of delen van gebouwen, qua vorm, structuur, afmetingen, verdeling van gevelvlakken en materialen. Hoofdbestemming De hoofdbestemming is de verplichte invulling van de bestaande en op te richten gebouwen. De hoofdbestemming neemt minimaal 50% van de totale vloeroppervlakte in. Hoofdgebouw Gebouw waarin de hoofdbestemming van het pand wordt ondergebracht. Hoogstammige boom Onder hoogstammige boom wordt verstaan een boom (met inbegrip van hoogstammige fruitbomen) die tenminste 5m hoog is en op 1m een omtrek van tenminste 30cm heeft. Maximumprofiel Tekening van de vertikale doorsnede van een gebouw, met aanduiding van de maximum afmetingen en verhoudingen. Behoudens de toegelaten uitsprongen mag geen enkel deel van de op te richten gebouwen uitsteken. Meergezinswoning Woonhuis waarin twee of meer woningen geheel of gedeeltelijk boven en/of naast elkaar gelegen zijn. Nevenbestemming Een nevenbestemming is een mogelijke en toegelaten bestemming binnen de betreffende zone. De nevenbestemming neemt maximaal 50% van de totale vloeroppervlakte in. Nokhoogte De nokhoogte is de hoogte van de noklijn of –punt. Scheidsmuur Gevel van een gebouw die opgericht is of wordt op de grens van twee erven. Straatbeeld Het straatbeeld is het uitzicht op het geheel van de gebouwde omgeving die de begrenzing vormt van een publieke open ruimte, hetzij een straat of een plein. Parkeerplaats Onder parkeerplaats wordt verstaan hetzij een gesloten garage, hetzij een standplaats in een gesloten ruimte of in de open lucht, daartoe speciaal aangelegd en uitgerust en door het College van Burgemeester en Schepenen geschikt bevonden. Rooilijn De grenslijn tussen de openbare weg en de aanpalende bestemmingszone. Straatwand De samenvoeging van alle gevels en bouwelementen tussen twee straathoeken. Uithangbord Bord voor de bekendmaking van de bedrijvigheid die op die plaats uitgeoefend wordt. Uitsprong Deel van een gevel dat niet in hetzelfde vlak ligt als het overige gedeelte van die gevel. Verdieping Elk der afdelingen waarin een gebouw door horizontale scheidingsvlakken verdeeld wordt. Ruimte tussen twee vloeren. Vloerterreinindex Verhouding tussen de som van de totale oppervlakte der bovengrondse vloeren (zogenaamde technische verdieping inbegrepen) en de betrokken grondoppervlakte. Ondergrondse constructies of kelderverdiepingen die niet meer dan 1,5m boven het maaiveld uitkomen worden niet meegerekend in de totale vloeroppervlakte. De afmetingen worden buitenwerks gemeten. Voortuin Tuinstrook tussen de rooilijn en de voorgevel. Woning Huis of deel van een huis waarin met zijn vast verblijf houdt. Zadeldak Dak gevormd door twee dakvlakken die in een nok samenkomen. Zone Gebied binnen zekere begrenzingen waarbinnen bepaalde voorschriften gelden met betrekking tot het bouwen of niet bouwen, en tot het inrichten.
3. OVERGANGSMAATREGELEN 3.1. BESTAANDE FUNCTIES AFWIJKEND VAN DE PLANVOORSCHRIFTEN
Bestaande functies afwijkend van de planvoorschriften kunnen behouden blijven binnen de bestaande volumes mits de plaatselijke bouwvoorschriften in acht worden genomen en voor zover deze activiteiten geen rook-, reuk-, lawaai- en/of andere hinder veroorzaken die schadelijk is voor de voorgeschreven of feitelijke hoofd- en nevenbestemmingen van het gebied, tenzij de specifieke zonevoorschriften van het nieuwe BPA anders vermelden. Verbouwingswerken binnen het bestaande volume waarbij een bestaande activiteit behouden blijft, die niet overeenstemt met de voorschriften van de betreffende zone, kunnen worden toegestaan tenzij de specifieke zonevoorschriften van het nieuwe BPA anders vermelden. Bij herbouwings- of nieuwbouwwerken, met inbegrip van uitbreidingswerken, dient de nieuwe functie overeen te komen met de voorgeschreven bestemming. 3.2. VERBOUWINGSWERKEN AFWIJKEND VAN DE PLANVOORSCHRIFTEN
Bestaande vergunde gebouwen, in strijd met de voorschriften en aanduidingen van het BPA mogen verbouwd worden zolang er geen bijkomende elementen in strijd met de voorschriften en aanduidingen van het nieuwe BPA ontstaan, onverminderd artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en wijzigingen.
4. ZONE VOOR WEGENIS 4.1. OPENBARE WEGENIS De stroken in dit plan aangeduid voor openbare wegenis zullen, in zoverre zij nog niet tot de openbare wegenis behoren, hierbij ingelijfd worden door afstand, onteigening of verwerving. De bestemmingsgrens van de openbare wegenis legt tevens de rooilijn vast, tenzij grafisch anders aangeduid op het bestemmingsplan. Toelating tot bouwen kan slechts verleend worden op kavels die rechtstreeks palen aan, of een regelmatige aangelegde toegang hebben tot een openbare weg, waarvan de rooilijnen door de bevoegde overheid zijn vastgelegd en waarvan de aanleg, de verharding en de algemene uitrusting uitgevoerd zijn overeenkomstig de eisen die hieraan door de bevoegde overheid gesteld zijn. Binnen deze zone mag worden aangebracht al wat de hedendaagse verkeerstechniek vereist, zoals parkeerruimten, beplantingen, voorzieningen voor openbaar vervoer,… . 4.2. OPENBARE VOETWEGEN De gedeelten bestemd voor openbare voetwegen zullen, in zover zij nog niet tot het openbaar domein behoren, daarbij worden ingelijfd door afstand of onteigening. Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten, uitgezonderd gemotoriseerd dienstverkeer in functie van onderhoud van het domein. De voetwegen dienen aangelegd te worden in onverharde of halfverharde waterdoorlatende materialen. Het tracé van de voetwegen is minimaal 1,50m breed. . 4.3. OVERSTEEKPLAATS SCHIJN Binnen deze zone kan een publieke verbinding tussen de beide oevers van het Schijn voorzien worden ten behoeve van het langzaam verkeer. Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten. Deze verbinding kan maximum 6m breed zijn en dient de natuurlijke loop van het Schijn maximaal te respecteren. De materialen en vormgeving van de verbinding dienen bij te dragen tot de landschappelijke kwaliteiten van de Schijnvallei.
5. ZONE VOOR AANEENGESLOTEN BEBOUWING 5.0. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 5.0.1. Materialen
De gebruikte materialen voor de voorgevel dienen te harmoniëren met deze van het ganse straatbeeld, d.w.z. met die aanwezige woningen die inzake harmonische samenhang gezamenlijk het talrijkst en dus kenmerkend voor de betreffende straat genoemd kunnen worden. Opvallende gevelmaterialen, -bekledingen, -schrijnwerken, -beglazingen en –schilderingen kunnen niet toegestaan worden. De aard en kleur van de materialen van zij- en achtergevels moeten harmoniëren met deze van de voorgevel indien ze allen zichtbaar zijn vanuit het openbaar domein. 5.0.2. Wachtgevels
Waar de zijdelingse begrenzingen van de bestemmingszones grenzen aan publieke open ruimten, is het toegestaan om in de zijgevels vanaf 1m boven het maaiveld raamopeningen te creëren. Het is niet toegestaan deze scheimuren als blinde gevels op te trekken. 5.0.3. Watertoets
De zones voor aaneengesloten bebouwing overlappen gedeeltelijk met een ROG (recent overstroomd gebied) en risicozones voor overstroming. Ter hoogte van deze overlappingen is het voorzien van nuttige kelderruimte met opslag van brandstoffen of andere milieuschadelijke stoffen, verwarmingsinstallatie of elektrische installaties of ondergrondse garages niet toegestaan.
Binnen de zones voor aaneengesloten bebouwing dient de afvoer van (overtollig) regenwater en afvalwater 100% gescheiden te gebeuren. Afvalwater dient afgevoerd naar de riolering.
5.1. TYPE A: STEEGJESWONINGEN 5.1.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
Nevenbestemmingen:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
5.1.2. Perceelsbreedte
Bestaande percelen met een breedte van minimum 4m kunnen terug bebouwd worden. Na de openbaarmaking van huidig BPA kunnen percelen geherstructureerd worden (samenvoeging of herverkaveling). De nieuwe percelen dienen een minimale breedte van 4m en een maximale breedte van 6m te hebben, teneinde het vertrouwde fijnmazige ritme van het straatbeeld en fijnkorrelige morfologische stegenstructuur te bewaren. De op de bestaande percelen met een breedte van meer dan 6m voorkomende woningen kunnen verbouwd of herbouwd worden, met inbegrip van uitbreidingswerken, indien deze niet afwijken van de voor de bestemmingszone geldende voorschriften. 5.1.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 2 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 6m tot 7m voor de voorbouw. De kroonlijsthoogte sluit bij voorkeur aan op deze van de belendende gebouwen. In geval van hoogteverschillen tussen de belendende gebouwen dient de dominante bouwhoogte in de ganse straat, d.w.z. de bouwhoogte die het vaakst werd toegepast, als norm genomen te worden. De dakvorm is beperkt tot een zadeldak met de nok parallel aan de voorgevel voor de voorbouw. De nokhoogte bedraagt maximum 11m tot 12m. De dakhelling mag niet meer dan 45° bedragen. Er kan maximaal 1 extra woonlaag, behorende bij de hoofdwoning, voorzien worden in het dak. De dakvorm van de gelijkvloerse achterbouw is beperkt tot een plat dak en de bouwhoogte hiervan is maximaal 4m kroonlijsthoogte. Dit dak wordt bij voorkeur ingericht als groen dak. 5.1.4. Bouwdiepte
De minimum bouwdiepte bedraagt 8m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
5.1.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De ruimte binnen de bestemmingszone die volgens bovenstaande voorschriften niet bebouwd kan worden, dient te worden gebruikt en ingericht als tuin, conform de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.1.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de achter-, zij- of voorgevels voor erkers of balkons zijn niet toegestaan. 5.1.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn niet toegestaan. 5.1.8. Dakkapellen
Dakkapellen zijn toegestaan. De maximale breedte van een dakkapel is beperkt tot 1,5m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. Dakkapellen worden verplicht voorzien van een zadeldak, met een maximale helling van 45°. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken. 5.1.9. Parkeergelegenheid
Het is niet toegestaan de gelijkvloerse verdieping om te vormen tot parkeerplaatsen.
5.2. TYPE B: BEGIJNHOFWONINGEN 5.2.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
Nevenbestemmingen:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
5.2.2. Perceelsbreedte
Bestaande percelen met een breedte van minimum 4m kunnen terug bebouwd worden. Na de openbaarmaking van huidig BPA kunnen percelen geherstructureerd worden (samenvoeging of herverkaveling). De nieuwe percelen dienen een minimale breedte van 4m en een maximale breedte van 6m te hebben, teneinde het vertrouwde fijnmazige ritme van het straatbeeld en de fijnkorrelige morfologische begijnhofstructuur te bewaren. De op de bestaande percelen met een breedte van meer dan 6m voorkomende woningen kunnen verbouwd of herbouwd worden, met inbegrip van uitbreidingswerken, indien deze niet afwijken van de voor de bestemmingszone geldende voorschriften. 5.2.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 2 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen), waarvan de bovenste bouwlaag deels in het dak voorzien wordt. De maximale kroonlijsthoogte bedraagt 4,5m. De kroonlijsthoogte sluit bij voorkeur aan op deze van de belendende gebouwen. In geval van hoogteverschillen tussen de belendende gebouwen dient de dominante bouwhoogte in de ganse straat, d.w.z. de bouwhoogte die het vaakst werd toegepast, als norm genomen te worden. De dakvorm is beperkt tot een zadeldak met een nok parallel aan de voorgevel. De nokhoogte bedraagt maximaal 9,5m. De dakhelling mag niet meer dan 45° bedragen. 5.2.4. Bouwdiepte
De minimum bouwdiepte bedraagt 8m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
5.2.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De ruimte binnen de bestemmingszone die volgens bovenstaande voorschriften niet bebouwd kan worden, dient te worden gebruikt en ingericht als tuin, conform de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.2.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de achter-, zij- of voorgevels voor erkers of balkons zijn niet toegestaan. 5.2.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn niet toegestaan. 5.2.8. Dakkapellen
Dakkapellen zijn toegestaan. De maximale breedte van een dakkapel is beperkt tot 1,5m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. Dakkapellen worden verplicht voorzien van een zadeldak, met een maximale helling van 45°. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken. 5.2.9. Parkeergelegenheid
Het is niet toegestaan de gelijkvloerse verdieping om te vormen tot parkeerplaatsen.
5.3. TYPE C: HOGE STEENWEGWONINGEN 5.3.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
In nevenbestemming:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
De voorschriften van artikel 5.2 hebben tot doel de bouwmogelijkheden langsheen de Turnhoutsebaan en de Fr.Craeybeckxlaan vast te leggen, rekening houdend met de lokale eigenschappen van deze straten. Waar de Turnhoutsebaan het Dorp verlaat, richting Wijnegem, wordt zij gekenmerkt door een opvallend breder wegprofiel. De aanwezige ruimte maakt het mogelijk een iets hogere bouwhoogte toe te laten. De Fr.Craeybeckxlaan is de drager van enkele bovenlokale voorzieningen met een duidelijk grootschaligere morfologische structuur dan het Dorp. Ook d eprofilering van de straat is breed. De aanwezige ruimte en functie van deze straat maken het mogelijk om een iets hogere bouwhoogte toe te laten. De bouwdiepte blijft beperkter teneinde de aansluiting op de kleinschaligere typen aaneengesloten woningen af te stemmen. De voorschriften zijn bedoeld om de typologie van de "klassieke" steenwegwoning, kenmerkend voor beide straten, in zekere mate te bewaren. Hedendaagse interpretaties ervan worden echter niet uitgesloten. 5.3.2. Perceelsbreedte
Bestaande percelen met een breedte van minimum 4m kunnen terug bebouwd worden. Na de openbaarmaking van huidig BPA kunnen percelen samengevoegd worden. De nieuwe percelen dienen een minimale breedte van 6m te hebben. 5.3.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 4 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 12m tot 14m voor de voorbouw. Ter hoogte van Turnhoutsebaan nrs 17 t.e.m. 21 dient over een breedte van minimum 6m naar de Rosenstraat toe een afbouw van de bouwhoogte naar 15m tot 16,5m voorzien te worden.
De dakvorm voor de voorbouw is vrij. In geval van schuine daken bedraagt de nokhoogte maximum 18m tot 20m, de dakhelling is maximaal 45°. Er kan slechts 1 extra woonlaag voorzien worden in het dak. In geval van platte daken kan boven de kroonlijsthoogte nog maximaal 1 terugspringende bouwlaag voorzien worden. Deze bouwlaag dient t.o.v. de voorgevellijn 4m en t.o.v. de achtergevellijn 3m terug te springen en kan maximum 3,5m hoog zijn. De totale bouwhoogte bedraagt in dit geval dus maximaal 17,5m. De dakvorm van de achteruitbouw van de gelijkvloerse verdieping is beperkt tot een plat dak en de bouwhoogte hiervan is maximaal 4m. Dit dak wordt bij voorkeur ingericht als terras of daktuin. Het is toegestaan de scheidsmuur tot 6m te verhogen, teneinde de privacy te verzekeren. 5.3.4. Bouwdiepte
De minimum bouwdiepte bedraagt 9m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
5.3.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De ruimte binnen de bestemmingszone die volgens bovenstaande voorschriften niet bebouwd kan worden, dient te worden gebruikt en ingericht als tuin, conform de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.3.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de voorgevel voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 0,5m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. In de achtergevels zijn enkel uitsprongen voor balkons toegestaan. De maximale uitsprong t.o.v. het maximumprofiel bedraagt 1m op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. Bij de achtergevels zijn erkers verboden. 5.3.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn toegelaten over de gehele gevelbreedte. De diepte van de terugsprong mag maximaal de helft van de terugspringende gevelbreedte bedragen en de vrije hoogte dient minimum 3m te zijn. De zichtbare delen van de scheidsmuren dienen op een gepaste wijze te worden afgewerkt en de terugsprong dient voldoende verlicht te worden. 5.3.8. Dakkapellen
Dakkapellen zijn toegestaan. De maximale breedte van een dakkapel is beperkt tot 4m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. De dakvorm van de dakkapellen is vrij. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken. 5.3.9. Parkeergelegenheid
Het is toegestaan binnen de ruimte, die volgens bovenstaande voorschriften bebouwd kan worden, op het gelijkvloers of ondergronds inpandige parkeerplaatsen te voorzien. 5.4. TYPE D: LAGE STEENWEGWONINGEN 5.4.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
In nevenbestemming:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
5.4.2. Perceelsbreedte
Bestaande percelen met een breedte van minimum 4m kunnen terug bebouwd worden. Na de openbaarmaking van huidig BPA kunnen percelen samengevoegd worden. De nieuwe percelen dienen een minimale breedte van 6m te hebben. 5.4.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 3 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 9m tot 10,5m voor de voorbouw. De dakvorm voor de voorbouw is vrij. In geval van schuine daken bedraagt de nokhoogte maximum 15m tot 16,5m, de dakhelling is maximaal 45°. Er kan slechts 1 extra woonlaag voorzien worden in het dak. In geval van platte daken kan boven de kroonlijsthoogte nog maximaal 1 terugspringende bouwlaag voorzien worden. Deze bouwlaag dient t.o.v. de voorgevellijn 4m en t.o.v. de achtergevellijn 3m terug te springen en kan maximum 3,5m hoog zijn. De totale bouwhoogte bedraagt in dit geval dus 14m. De dakvorm van de achteruitbouw van de gelijkvloerse verdieping is beperkt tot een plat dak en de bouwhoogte hiervan is maximaal 4m. Dit dak wordt bij voorkeur ingericht als terras of daktuin. Het is toegestaan de scheidsmuur tot 6m te verhogen, teneinde de privacy te verzekeren. 5.4.4. Bouwdiepte
De minimum bouwdiepte bedraagt 9m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
5.4.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De ruimte binnen de bestemmingszone die volgens bovenstaande voorschriften niet bebouwd kan worden, dient te worden gebruikt en ingericht als tuin, conform de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.4.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de voorgevel voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 0,5m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. In de achtergevels zijn enkel uitsprongen voor balkons toegestaan. De maximale uitsprong t.o.v. het maximumprofiel bedraagt 1m op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. Bij de achtergevels zijn erkers verboden. 5.4.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn toegelaten over de gehele gevelbreedte. De diepte van de terugsprong mag maximaal de helft van de terugspringende gevelbreedte bedragen en de vrije hoogte dient minimum 3m te zijn. De zichtbare delen van de scheidsmuren dienen op een gepaste wijze te worden afgewerkt en de terugsprong dient voldoende verlicht te worden. 5.4.8. Dakkapellen
Dakkapellen zijn toegestaan. De maximale breedte van een dakkapel is beperkt tot 4m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. De dakvorm van de dakkapellen is vrij. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken. 5.4.9. Parkeergelegenheid
Het is toegestaan binnen de ruimte, die volgens bovenstaande voorschriften bebouwd kan worden, op het gelijkvloers of ondergronds inpandige parkeerplaatsen te voorzien. 5.5. TYPE E: BOUWBLOKKENWONINGEN 5.5.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
In nevenbestemming:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
5.5.2. Perceelsbreedte
De percelen hebben een minimumbreedte van 6m. 5.5.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 3 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 8,5m. De dakvorm is beperkt tot uitsluitend een plat dak. 5.5.4. Bouwdiepte
De minimum bouwdiepte bedraagt 9m. De maximum bouwdiepte bedraagt 15m voor zowel het gelijkvloers als de verdiepingen. 5.5.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De ruimte binnen de bestemmingszone die volgens bovenstaande voorschriften niet bebouwd kan worden, dient te worden gebruikt en ingericht als tuin, conform de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.5.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de voorgevel voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 0,5m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. In de achtergevels zijn enkel uitsprongen voor balkons toegestaan. De maximale uitsprong t.o.v. het maximumprofiel bedraagt 1m op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. Bij de achtergevels zijn erkers verboden. 5.5.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn niet toegestaan. 5.5.8. Parkeergelegenheid
Het is toegestaan binnen de ruimte, die volgens bovenstaande voorschriften bebouwd kan worden, op het gelijkvloers of ondergronds inpandige parkeerplaatsen te voorzien. 5.6. TYPE F : HOOFDASWONINGEN 5.6.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
In nevenbestemming:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
5.6.2. Perceelsbreedte
Na de openbaarmaking van huidig BPA kunnen percelen samengevoegd worden. De nieuwe percelen dienen een minimale breedte van 6m te hebben. 5.6.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 7 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 21m tot 24,5m voor de voorbouw. Een bijkomende 8e bouwlaag voor is toegestaan. Deze bouwlaag dient t.o.v. de voorgevellijn 4m en t.o.v. de achtergevellijn 3m terug te springen en kan maximum 3m hoog zijn. De totale bouwhoogte van de voorbouw bedraagt in dit geval dus 24m tot 27,5m. De dakvorm van de achteruitbouw van de gelijkvloerse en eerste verdieping is beperkt tot een plat dak en de bouwhoogte hiervan is maximaal 8m. Dit dak wordt bij voorkeur ingericht als terras of daktuin. Het is toegestaan de scheidsmuur tot 6m te verhogen, teneinde de privacy te verzekeren. Waar de bestemmingszone type F grenst aan zones voor andere typen aaneengesloten bebouwing, dient de maximale bouwhoogte aangepast te worden teneinde een geleidelijke overgang tussen de verschillende typen te creëren. Het gemiddelde van de maximaal toegestane bouwhoogten in de betreffende zones wordt hierbij als richthoogte aangenomen. 5.6.4. Bouwdiepte
De minimum bouwdiepte bedraagt 9m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
5.6.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De ruimte binnen de bestemmingszone die volgens bovenstaande voorschriften niet bebouwd kan worden, dient te worden gebruikt en ingericht als tuin, conform de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.6.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de voorgevel voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 0,5m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. In de achtergevels zijn uitsprongen voor balkons en erkers eveneens toegestaan. De maximale uitsprong t.o.v. het maximumprofiel bedraagt 1m op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. 5.6.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn toegelaten over de gehele gevelbreedte. De diepte van de terugsprong mag maximaal de helft van de terugspringende gevelbreedte bedragen en de vrije hoogte dient minimum 3m te zijn. De zichtbare delen van de scheidsmuren dienen op een gepaste wijze te worden afgewerkt en de terugsprong dient voldoende verlicht te worden.
5.6.8. Parkeergelegenheid
Het is toegestaan binnen de ruimte, die volgens bovenstaande voorschriften bebouwd kan worden, op het gelijkvloers of ondergronds inpandige parkeerplaatsen te voorzien.
5.7. TYPE G: WONINGEN IN HISTORISCH WAARDEVOLLE CONTEXT 5.7.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
In nevenbestemming:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
5.7.2. Perceelsbreedte
Na de openbaarmaking van huidig BPA kunnen percelen samengevoegd worden. De nieuwe percelen dienen een minimale breedte van 6m te hebben. 5.7.3. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kunnen maximum 2 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 6m tot 7m. De dakvorm is vrij, uitgezonderd gebogen daken. In geval van schuine daken bedraagt de nokhoogte maximum 13m tot 14m, de dakhelling is maximaal 45°. Er kan slechts 1 extra woonlaag voorzien worden in het dak. In geval van platte daken kan boven de kroonlijsthoogte nog maximaal 1 terugspringende bouwlaag voorzien worden. Deze bouwlaag dient t.o.v. de voorgevellijn minimum 4m terug te springen en kan maximum 3,5m hoog zijn. De totale bouwhoogte bedraagt in dit geval dus 9,5m tot 10,5m.
De platte daken van de gelijkvloerse of eerste verdieping, die ontstaan wanneer conform de in artikel 5.7.4 opgenomen bepalingen terugspringende of achteruitgebouwde volumes worden gerealiseerd, worden bij voorkeur ingericht als terras of daktuin. 5.7.4. Bouwdiepte en vloeroppervlak
De minimum bouwdiepte bedraagt 9m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
Voor de verdieping boven de kroonlijst wordt tevens een beperking van de toelaatbare vloeroppervlakte opgelegd. Van de, op basis van de hierboven aangegeven bouwdiepte, maximaal mogelijke vloeroppervlakte (V) mag slechts 75% gerealiseerd worden. Dit is de toegelaten vloeroppervlakte op de verdieping boven de kroonlijst (F).
F/V = 0,75
De toegelaten vloeroppervlakte kan vrij binnen de aangegeven bouwdiepte gerealiseerd worden. De achterste scheimuren worden, ingeval van gelijkvloerse bebouwing over de volledige diepte van de bestemmingszone, beperkt tot een hoogte van 4m. 5.7.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
Indien op het gelijkvloers een woonfunctie gerealiseerd wordt, of indien de volledige diepte van de bestemmingszone niet bebouwd wordt, dient de bouwvrije ruimte te worden ingericht volgens de voorschriften van artikel 12, namelijk “zone voor private tuinen”. 5.7.6. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit de voorgevel voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 0,5m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. In de achtergevels zijn enkel uitsprongen voor balkon toegestaan. De maximale uitsprong t.o.v. het maximumprofiel bedraagt 1m op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. Bij de achtergevels zijn erkers verboden. 5.7.7. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis
Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn toegelaten over de gehele gevelbreedte. De diepte van de terugsprong mag maximaal de helft van de terugspringende gevelbreedte bedragen en de vrije hoogte dient minimum 3m te zijn. De zichtbare delen van de scheidsmuren dienen op een gepaste wijze te worden afgewerkt en de terugsprong dient voldoende verlicht te worden. 5.7.8. Dakkapellen
Dakkapellen zijn toegestaan. De maximale breedte van een dakkapel is beperkt tot 4m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. De dakvorm van de dakkapellen is vrij. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken. 5.7.9. Parkeergelegenheid
Het is niet toegestaan de gelijkvloerse verdieping om te vormen tot parkeerplaatsen.
5.8. AUTOBERGPLAATSEN In de aangegeven zones (arcering) kunnen enkel autobergplaatsen zonder bovenbouw voorzien worden. De maximale hoogte van deze autobergplaatsen bedraagt 3m, de maximale diepte bedraagt 10m. De dakvorm is uitsluitend beperkt tot een plat dak. Wat betreft de materialen dient voor de gevel zichtbaar vanaf de openbare weg dezelfde kleur gevelsteen gebruikt te worden als deze van de hoofdgebouwen.
6. ZONE VOOR BIJGEBOUWEN 6.0.1. Begrenzing van de bouwzones
De bouwzones zijn begrensd door de grens van de bestemmingszone zoals aangegeven op het bestemmingsplan. 6.0.2. Materialen
De gebruikte materialen dienen in harmonie te zijn met deze van het hoofdgebouw. Indien delen van de bijgebouwen zichtbaar zijn vanuit het publieke domein moeten deze als voorgevels aanzien worden. De gebruikte materialen dienen in dit geval tevens te harmoniëren met deze van de onmiddellijke omgeving, d.w.z. met die gebouwen die inzake harmonische samenhang gezamenlijk het talrijkst en dus kenmerkend voor de betreffende omgeving genoemd kunnen worden. Opvallende gevelmaterialen, -bekledingen, -schrijnwerken, -beglazingen en –schilderingen kunnen niet toegestaan worden. 6.0.3. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
Nevenbestemmingen:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
De zones voor bijgebouwen zijn bedoeld om de ontwikkeling van detailhandel in de omgeving van het kruispunt Turnhoutsebaan -Fr.Craeybeckxlaan te bevorderen. Deze locatie vormt momenteel het zwaartepunt in het winkelapparaat van Deurne-Dorp. Naar hedendaagse normen heeft detailhandel voldoende oppervlakte nodig om concurrentieel te kunnen zijn. Deze oppervlakte wordt bij voorkeur volledig gelijkvloers gerealiseerd. de zones voor bijgebouwen bieden hiervoor een oplossing. Ter hoogte van het Cogelsplein wordt eveneens een zone voor bijgebouwen voorzien, ten behoeve van horeaca en detailhandel. Het Cogelsplein vormt het uitgaanscentrum van Deurne-Dorp. 6.0.4. Inplanting bebouwing
Per perceel kan slechts één bijgebouw gerealiseerd worden. De volledige bestemmingszone kan bebouwd worden. Indien slechts een gedeeltelijke bebouwing wordt voorzien, dient het bijgebouw rechtstreeks aan te sluiten bij het hoofdgebouw. 6.0.5. Bouwhoogte, dakvorm en dakhelling
Er kan maximum 1 bouwlaag gerealiseerd worden onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 5m. Als dakvorm is enkel een plat dak toegelaten. Deze platte daken worden uitgevoerd als groene daken. 6.0.6. Watertoets
De zones voor bijgebouwen overlappen gedeeltelijk met een ROG (recent overstroomd gebied) en risicozones voor overstroming. Ter hoogte van deze overlappingen is het voorzien van nuttige kelderruimte met opslag van brandstoffen of andere milieuschadelijke stoffen, verwarmingsinstallatie of elektrische installaties of ondergrondse garages niet toegestaan.
Binnen de zones voor bijgebouwen dient de afvoer van (overtollig) regenwater en afvalwater 100% gescheiden te gebeuren. Afvalwater dient afgevoerd naar de riolering.
7. PROJECTZONE VOOR WONINGEN 7.0. Algemene voorschriften 7.0.1. Inplantingsschets
Binnen een projectzone kunnen stedenbouwkundige vergunningen slechts verleend worden mits de bebouwing, die onderwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag, binnen de ganse projectzone gekaderd wordt door middel van een inplantingsschets. De inplantingsschets maakt verplicht deel uit van het dossier betreffende de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning en wordt meegestuurd aan de adviesverlenende instanties overeenkomstig de toepasselijke procedure voor de behandeling van deze aanvragen. De inplantingsschets is louter een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het onderzoeken van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften van dit BPA. De inplantingsschets vormt geen bijkomend toetskader om de vergunningsaanvraag te beoordelen.
Een uitzondering hierop kan toegestaan worden voor bestaande gebouwen die bij de openbaarmaking van dit BPA reeds binnen de projectzones aanwezig waren en niet afwijken van de voor de bestemmingszone geldende voorschriften. Voor deze gebouwen kunnen instandshoudings- of verbouwingswerken vergund worden zonder dat een inplantingsschets voor de hele projectzone opgesteld dient te worden.
Bij elke nieuwe vergunningsaanvraag kan het dossier hetzij een bestaande inplantingsschets bevatten, hetzij een aangepaste of nieuwe inplantingsschets. In geval van een aangepaste of nieuwe inplantingsschets dient alleszins rekening gehouden te worden met de reeds gerealiseerde elementen binnen het gebied.
De inplantingsschets moet aan volgende voorwaarden voldoen:
Het College van Burgemeester en Schepenen kan op basis van het ingediende dossier nog bijkomende gegevens opvragen die ze nodig acht.
7.0.2. Bebouwingswijze - plaatsing van de gebouwen - afmetingen
Per projectzone wordt gestreefd naar een minimale dichtheid van 45 wooneenheden per hectare en wordt de maximale bebouwing vastgelegd door:
Deze oppervlakte betreft alle niet-bebouwde en/of niet-verharde oppervlakte zoals o.m. buffergroen en aanplantingen. 7.0.3. Materialen
De gebruikte materialen dienen constructief en esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord te zijn. Een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren, zowel voor één gebouw als binnen de volledige projectzone, dient vermeden te worden. Opvallende gevelmaterialen, -bekledingen, - schrijnwerken, -beglazingen en –schilderingen kunnen niet toegestaan worden. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen en betonblokken zijn geen toegelaten gevelmaterialen. Bij hellende daken is roofing in banen niet toegestaan. 7.1. PROJECTZONE K 7.1.1. Bestemmingen
In hoofdbestemming:
Nevenbestemmingen, enkel toegelaten voor gebouwen die rechtstreeks via de Turnhoutsebaan ontsloten zijn:
Verboden bestemmingen:
Toelichting
7.1.2. Inplanting van de gebouwen en verkaveling
De inplanting van de gebouwen binnen de projectzone is vrij. Het is toegestaan nieuwbouw in te planten op de perceelsgrens tussen enerzijds de projectzone K en anderzijds aangrenzende private tuinen of publieke open ruimte. Er wordt maximaal aangesloten op de bestaande bebouwing in aangrenzende bestemmingszones. Het bestendigen of creërenvan wachtgevels wordt vermeden.
De op de bij de openbaarmaking van huidig BPA bestaande percelen met een breedte van meer dan 6m voorkomende woningen kunnen verbouwd of herbouwd worden, indien niet afgewijkt wordt van de voor de bestemmingszone geldende voorschriften. 7.1.3. Volume en welstand van de gebouwen
Volume De maximaal te bouwen vloeroppervlakte dient ten minste twee bouwvolumes of groepen aaneengesloten woningen verdeeld te worden. De maximale grondoppervlakte per volume of groep aaneengesloten woningen wordt hierbij beperkt tot 800m².
Bouwdiepte De minimum bouwdiepte bedraagt 8m. De maximum bouwdiepte bedraagt:
Hoogte, dakvorm, dakhelling en dakkapellen Er kunnen maximaal 2 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 6m tot 7m. De dakvorm is vrij. In geval van schuine daken bedraagt de nokhoogte maximaal 13m tot 14m. De dakhelling mag niet meer dan 45° bedragen. Er kan slechts 1 extra woonlaag voorzien worden in het dak. In geval van platte daken kan boven de kroonlijsthoogte nog maximaal 1 terugspringende bouwlaag voorzien worden. Deze bouwlaag dient zowel t.o.v. de voorgevellijn als t.o.v. de achtergevellijn 2m terug te springen en kan maximum 3,5m hoog zijn. De totale bouwhoogte bedraagt in dit geval dus maximaal 10,5m.
Een uitzondering hierop vormen de gebouwen die rechtstreeks aansluiten op de Turnhoutsebaan. Deze gebouwen kunnen binnen een bouwdiepte van 16m onder de kroonlijsthoogte maximaal 4 bouwlagen omvatten (gelijkvloers inbegrepen), met een maximale kroonlijsthoogte van 12m tot 14m. De dakvorm is vrij. In geval van schuine daken bedraagt de nokhoogte maximaal 18m tot 20m. De dakhelling mag niet meer dan 45° bedragen. Er kan slechts 1 extra woonlaag voorzien worden in het dak. In geval van platte daken kan boven de kroonlijsthoogte nog maximaal 1 terugspringende bouwlaag voorzien worden. Deze bouwlaag dient t.o.v. de voorgevellijn 4m en t.o.v. de achtergevellijn 3m terug te springen en kan maximum 3,5m hoog zijn. De totale bouwhoogte bedraagt in dit geval dus maximaal 17,5m.
In geval van een schuin dak zijn dakterrassen toegelaten voor de bouwlaag in de dakconstructie. Het terras dient voorzien te worden binnen het dakvlak en op de perceelsgrens moet het dak doorgetrokken te worden tot de kroonlijst. De dakterrassen mogen niet meer dan 1/3 van de oppervlakte van deze bouwlaag bedragen. Dakterrassen op een plat dak zijn toegestaan. De dakterrassen dienen te voldoen aan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Dakkapellen zijn toegestaan met een maximale breedte van 1,5m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. De dakvorm van de dakkapellen is vrij. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken.
Gevels Uitsprongen uit de gevelvlakken voor erkers en balkons zijn enkel toegestaan in de achtergevel. De maximale uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur of rand van het gebouw. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn niet toegestaan. 7.1.4. Ontsluiting
De projectzone K wordt ontsloten via de Stalinstraat en Turnhoutsebaan. De Stalinstraat wordt in de projectzone geïntegreerd en kan ter hoogte van de Turnhoutsebaan overbouwd worden. De overbouwing kan gebeuren binnen de zone die op plan werd aangegeven en die gemeten vanaf de rooilijn een diepte van 16m bedraagt. De overbouwing zelf mag binnen deze zone slechts een maximale diepte van 8m hebben. Er dient steeds een vrije doorgang van ten minste 4m breed en 6m hoog voorzien te worden. De Stalinstraat dient binnen de zone voor overbouwing een minimale breedte van 4m te hebben en buiten de zone voor overbouwing een minimale breedte van 5m. Toelichting
7.1.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
Binnen de projectzone dient een publiek plein met een oppervlakte van minmum 320m² voorzien te worden. De vorm (dit is de verhouding tussen breedte en diepte) van het plein is vrij. De inplanting van het plein is schematisch op plan aangegeven. De exacte locatie van het plein kan ten opzichte van de schematische weergave over een afstand van 5m naar alle richtingen verschoven worden. Het plein kan volledig verhard worden met waterdoorlatende materialen. Het plein zal door afstand, onteigening of verwerving ingelijfd worden bij de openbare wegenis.
De overige onbebouwde ruimte binnen de zone kan als private tuinen ingericht worden. Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. Gesloten muurconstructies zijn niet toegelaten. De hoogte van afsluitingen rond achtertuinen bedraagt maximaal 2m. De hoogte van afsluitingen rond voortuinen bedraagt maximaal 0,5m.Terrassen in de achtertuinen mogen maximum een oppervlakte van 16m² hebben. Verhardingen in de voortuinen ten behoeve van de toegankelijkheid van de woningen mogen slechts 50% van de totale oppervlakte van de voortuin beslaan, met een maximum van 9m².
Het optrekken van bergplaatsen en tuinhuisjes is enkel toegelaten indien deze beantwoorden aan de bepalingen van niet-vergunningsplichtige constructies. De materiaalkeuze dient in harmonie te zijn met deze van de hoofdgebouwen en bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt.
7.2. PROJECTZONE L 7.2.1. Bestemmingen
Toelichting
7.2.2. Inplanting van de gebouwen en verkaveling
De inplanting van de gebouwen binnen de projectzone is vrij, maar er dient bij de inplanting van de nieuwbouw binnen projectzone L t.o.v. bestaande publieke open ruimte of private tuinen wel een minimale afstand van 6m gerespecteerd te worden. Waar mogelijk kan rechtstreeks aangesloten worden op de bestaande bebouwing in andere bestemmingszones.
Tussen afzonderlijke bouwvolumes, d.w.z. groepen aaneengesloten woningen, dient een minimumafstand van 6m gerespecteerd te worden.
Indien delen van de zone herverkaveld worden, dienen de nieuwe percelen een minimale breedte van 6m te hebben, uitgezonderd binnen de afbakening.van het dorpsgezicht. Hier dienen de nieuwe percelen een minimale breedte van 4m en een maximale breedte van 6m te hebben, teneinde het vertrouwde fijnmazige ritme van het straatbeeld en de fijnkorrelige morfologische structuur te bewaren. 7.2.3. Volume en welstand van de gebouwen
Volume De maximaal te bouwen vloeroppervlakte dient ten minste over vijf bouwvolumes of groepen aaneengesloten woningen verdeeld worden. De maximale grondoppervlakte per volume of groep aaneengesloten woningen wordt hierbij beperkt tot 500m².
Bouwdiepte De minimum bouwdiepte bedraagt 8m. De maximum bouwdiepte bedraagt 14m.
Hoogte, dakvorm, dakhelling en dakkapellen In de projectzone kunnen maximaal 2 bouwlagen gerealiseerd worden (gelijkvloers inbegrepen) onder de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 6m tot 7m. Indien rechtstreeks wordt aangesloten op de bebouwing van de Koraalplaats (type B), dient de maximale kroonlijsthoogte van de nieuwbouw in zone L ter hoogte van deze aansluiting over een afstand van minimaal 4m t.o.v. de gemeenschappelijke perceelsgrens afgestemd te worden op de bestaande bebouwing, d.w.z. een maximale kroonlijsthoogte van 4,5m. De dakvorm is vrij, uitgezonderd voor de bebouwing de rechtstreeks aansluit op de bebouwing van de Koraalplaats (type B). In dit laatste geval dient de bebouwing verplicht met schuin dak te worden voorzien. In geval van schuine daken bedraagt de nokhoogte bedraagt maximaal 13m tot 14m, uitgezonderd in geval van directe aansluiting op de bebouwing van de Koraalplaats (type B). In dit geval geldt over een afstand van 4m t.o.v. de gemeenschappelijke perceelsgrens een maximale nokhoogte van 9,5m. De dakhelling mag niet meer dan 45° bedragen. Er kan slechts 1 extra woonlaag voorzien worden in het dak. Dakkapellen zijn toegestaan met een maximale breedte van 1,5m. De afstand van een dakkapel tot het midden van een scheidsmuur dient minimum 1m te bedragen. De afstand tussen twee dakkapellen bedraagt eveneens minimum 1m. De dakvorm van de dakkapellen is vrij. Dakkapellen op verhoogde gevels zijn niet toegelaten. De hoogte van de dakkapellen is beperkt tot maximaal 2/3 van het dak. De materialen van de dakkapellen dienen te harmoniëren met deze van de gevels en daken. In geval van platte daken kan boven de kroonlijsthoogte nog maximaal 1 terugspringende bouwlaag voorzien worden. Deze bouwlaag dient t.o.v. de voorgevellijn 4m en t.o.v. de achtergevellijn 3m terug te springen en kan maximum 3,5m hoog zijn. De totale bouwhoogte bedraagt in dit geval dus maximum 10,5m. In geval van een schuin dak zijn dakterrassen toegelaten voor de bouwlaag in de dakconstructie. Het terras dient voorzien te worden binnen het dakvlak en op de perceelsgrens moet het dak doorgetrokken te worden tot de kroonlijst. De dakterrassen mogen niet meer dan 1/3 van de oppervlakte van deze bouwlaag bedragen. Dakterrassen op een plat dak zijn toegestaan. De dakterrassen dienen te voldoen aan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Gevels Uitsprongen uit de gevelvlakken voor erkers en balkons zijn enkel toegestaan in de achtergevel. De maximale uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 2m afstand t.o.v. elke scheidsmuur of rand van het bouwvolume. Terugsprongen van de gelijkvloerse verdieping langs de openbare wegenis zijn niet toegestaan. 7.2.4. Ontsluiting
De projectzone L wordt ontsloten via de Katteweg. Deze straat sluit langs oostelijke zijde rechtstreeks aan op de Hooftvunderlei. De Katteweg wordt ter hoogte van een gedeelte van de projectzone L toegankelijk voor lokaal gemotoriseerd verkeer. Een volledige doorgang van gemotoriseerd verkeer langs de Katteweg tot aan de Parkweg wordt niet toegestaan. Ook een verbinding voor gemotoriseerd verkeer tussen de Katteweg en de Koraalplaats is niet toegelaten. Een doorgang tussen beide kan enkel voorzien worden i.f.v. langzaam verkeer. De ontsluiting van de projectzone gebeurt via het grafisch aangegeven tracé en de wegenis heeft een minimale breedte van 5m. De exacte locatie van de wegenis kan binnen een afstand van 10m t.o.v. de as van het aangegeven tracé verschoven worden. Een ontsluiting afwijkend van het grafisch aangegeven tracé kan toegestaan worden, mits dit voldoende gemotiveerd wordt. Toelichting
7.2.5. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
Binnen de projectzone dienen twee publieke pleintjes opgenomen te worden die als eindpunt van de ontsluitende tracés beschouwd moeten worden. De beide pleinen samen hebben een oppervlakte van minimum 600m², vrij te verdelen over de afzonderlijke pleinen. De vorm (dit is de verhouding tussen breedte en diepte) van beide pleinen is vrij. De inplanting van de pleinen is schematisch op plan aangegeven. De exacte locatie van de pleinen kan ten opzichte van de schematische weergave over een afstand van 10m naar alle richtingen verschoven worden. De pleinen zullen volledig verhard worden met waterdoorlatende materialen en zullen door afstand, onteigening of verwerving ingelijfd worden bij de openbare wegenis.
De overige onbebouwde ruimte binnen de zone kan als private tuinen ingericht worden. Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. Gesloten muurconstructies zijn enkel toegelaten op de grenzen tussen private tuinen en de openbare wegenis. Tussen de private tuinen onderling zijn geen gesloten muurconstructies toegelaten. De hoogte van afsluitingen rond achtertuinen bedraagt maximaal 2m. De hoogte van afsluitingen rond voortuinen bedraagt maximaal 0,5m. Terrassen in de achtertuinen mogen maximum een oppervlakte van 16m² hebben. Verhardingen in de voortuinen ten behoeve van de toegankelijkheid van de woningen mogen slechts 50% van de totale oppervlakte van de voortuin beslaan, met een maximum van 9m². Het optrekken van bergplaatsen en tuinhuisjes is enkel toegelaten indien deze beantwoorden aan de bepalingen van niet-vergunningsplichtige constructies. De materiaalkeuze dient in harmonie te zijn met deze van de hoofdgebouwen en bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt. 7.2.6. Watertoets
De projectzone overlappent gedeeltelijk met een ROG (recent overstroomd gebied) en risicozones voor overstroming. Ter hoogte van deze overlappingen is het voorzien van nuttige kelderruimte met opslag van brandstoffen of andere milieuschadelijke stoffen, verwarmingsinstallatie of elektrische installaties of ondergrondse garages niet toegestaan.
Binnen de projectzone dient de afvoer van (overtollig) regenwater en afvalwater 100% gescheiden te gebeuren. Afvalwater dient afgevoerd naar de riolering.
8. ZONE VOOR HOOGBOUW 8.0. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 8.0.1. Begrenzing van de bouwzones
De bouwzones zijn begrensd door de grens van de bestemmingszone zoals aangegeven op het bestemmingsplan. Binnen deze zones kunnen de bestaande gebouwen hersteld, verbouwd of herbouwd worden, met inbegrip van uitbreidingswerken, indien deze niet afwijken van de voor de bestemmingszone geldende voorschriften. 8.0.2. Bestemmingen
Toelichting
8.0.3. Bouwhoogte en dakvorm
De maximale bouwhoogte, d.i. de maximum toegelaten kroonlijsthoogte, bedraagt 65m. De dakvorm is beperkt tot uitsluitend een plat dak. 8.0.4. Uitsprongen uit het gevelvlak van een hoofdgebouw
Uitsprongen uit het gevelvlak voor balkons zijn toegestaan. De uitsprong bedraagt 2m op minimum 3m boven het peil van het maaiveld. Erkers zijn niet toegestaan.
9. ZONE VOOR BIJZONDERE GEBOUWTYPES
9.0. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 9.0.1. Begrenzing van de bouwzones
De bouwzones zijn begrensd door de grens van de bestemmingszone zoals aangegeven op het bestemmingsplan. Binnen deze zones kunnen de bestaande historisch waardevolle gebouwen hersteld, verbouwd of herbouwd worden, met inbegrip van uitbreidingswerken, indien deze niet afwijken van de voor de bestemmingszone geldende voorschriften. 9.0.2. Bestemmingen
Toelichting
9.0.3. Advisering volgens de procedure beschermde monumenten
Voor alle herstellings-, verbouwings-, herbouwings- of uitbreidingswerken, evenals elke bestemmingswijziging waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is, wordt tevens de procedure gevolgd die geldt voor beschermde monumenten. Er dient bij de behandeling van de bouwaanvraag door de dienst stedenbouwkundige vergunningen, steeds bijkomende adviezen ingewonnen te worden bij de bevoegde dienst monumentenzorg. Indien het beschermd erfgoed betreft, dan is het advies van de dienst monumentenzorg bindend. Indien het waardevol doch niet beschermd erfgoed betreft, is het advies van de dienst monumentenzorg niet bindend. 9.0.4. Volume en welstand van de gebouwen
Volume De bestaande gebouwen kunnen slechts binnen de bij de openbaarmaking van huidig BPA bestaande contouren, zoals aangegeven op plan, hersteld, verbouwd of herbouwd worden. Enkel voor de zones X (school), Y (pastorij) en Z (parochiezaal) zijn uitbreidingen buiten het huidige volume toegestaan. Deze uitbreidingen mogen per zone niet meer dan 10% van de bij de openbaarmaking van huidig BPA bestaande vloeroppervlakte bedragen.
Materialen De gebruikte materialen dienen in harmonie te zijn met deze van de bij de openbaarmaking van huidig BPA bestaande gebouwen binnen de bestemmingszone.
10. ZONE VOOR BEDRIJVIGHEID MET NABESTEMMING
10.0. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 10.0.1. Begrenzing van de bouwzones
De bouwzones zijn begrensd door de grens van de bestemmingzones zoals aangegeven op het bestemmingsplan. De grens tussen de bestemmingszone en de openbare wegenis geldt tevens als verplichte bouwlijn. 10.0.2. Materialen
De gebruikte materialen voor de voorgevel dienen te harmoniëren met deze van het ganse straatbeeld, d.w.z. met die aanwezige woningen die inzake harmonische samenhang gezamenlijk het talrijkst en dus kenmerkend voor de betreffende straat genoemd kunnen worden. Opvallende gevelmaterialen, -bekledingen, - schrijnwerken, -beglazingen en –schilderingen kunnen niet toegestaan worden. De aard en de kleur van de materialen van zij- en achtergevels moeten harmoniëren met deze van de voorgevel. 10.0.3. Watertoets
De zones voor bedrijvigheid overlappen gedeeltelijk met een ROG (recent overstroomd gebied) en risicozones voor overstroming. Ter hoogte van deze overlappingen is het voorzien van nuttige kelderruimte met opslag van brandstoffen of andere milieuschadelijke stoffen, verwarmingsinstallatie of elektrische installaties of ondergrondse garages niet toegestaan.
Binnen de zones voor bedrijvigheid dient de afvoer van (overtollig) regenwater en afvalwater 100% gescheiden te gebeuren. Afvalwater dient afgevoerd naar de riolering. 10.0.4. Bestemmingen
10.0.5. Volume en welstand van de gebouwen
Volume De volledige bestemmingszone kan bebouwd worden.
Hoogte en dakvorm De dakvorm is vrij. Aan de dakvorm wordt dezelfde aandacht en ontwerpzorg besteed als aan de gevels. In geval van een plat dak is de bouwhoogte gelijk aan de kroonlijsthoogte, met een maximale kroonlijsthoogte van 6m. Bij de bouwhoogte mag 1m borstwering worden toegevoegd, conform de veiligheidsvoorschriften, EG Richtlijn 92/57/EEG d.d. 24-06-1992. In geval van een andere dakvorm is de maximale toegelaten kroonlijsthoogte eveneens gelijk aan 6m. De bouwhoogte boven de kroonlijsthoogte is gelijk aan de hoogte van de noklijn of –punt en kan maximaal 12m bedragen.
Gevels Uitsprongen uit de voorgevel voor erkers of balkons zijn toegestaan. De maximale uitsprong bedraagt 0,5m op minimum 3m boven het peil van het voetpad en op minimum 1m afstand t.o.v. elke scheidsmuur. In de zij- en achtergevels zijn geen uitsprongen toegestaan. Logo’s en merknamen mogen in het gevelvlak worden aangebracht, op voorwaarde dat zij deel uitmaken van het architecturale gevelconcept. 10.0.6. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
Zolang de hoofdbestemming geldt, kan de onbebouwde ruimte binnen de zone aangewend worden voor toeritten, circulatieruimte, parkings en groenvoorzieningen. Voor de aan te leggen verhardingen dienen kleinschalige bestratingsmaterialen zoals klinkers, betonstraatstenen en steenslag gebruikt te worden of natuurlijke zachte en halfverharde materialen. Bij voorkeur worden waterdoorlatende materialen gebruikt, tenzij andere reglementeringen een ondoorlatende verharding opleggen.
Parkeervoorzieningen dienen binnen de bestemmingszone zelf te worden voorzien of binnen de aangrenzende zone voor semi-publieke ruimte. Het openbaar domein mag niet worden aangewend voor parking ten behoeve van vrachtverkeer, personeel of bezoekers van de aanwezige bedrijvigheid. Parkings dienen zoveel mogelijk gebundeld te worden en in grotere gehelen onder streekeigen hoogstammige bomen te worden aangelegd. Bij een aaneengesloten geheel dienen per 100m² parking minimaal 4 hoogstammen te worden voorzien. Opslag van materialen in de open lucht is niet toegestaan.
11. ZONE VOOR GEMEENSCHAPSVOORZIENINGEN
11.0. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN 11.0.1. Begrenzing van de bouwzones
De bouwzones zijn begrensd door de grens van de bestemmingszone zoals aangegeven op het bestemmingsplan. 11.0.2. Materialen
De gebruikte materialen voor de gevels dienen te harmoniëren met deze van het ganse beeld van de omgeving, d.w.z. met die aanwezige gebouwen die inzake harmonische samenhang gezamenlijk het talrijkst en dus kenmerkend voor de betreffende omgeving genoemd kunnen worden. Opvallende gevelmaterialen, -bekledingen, -schrijnwerken, -beglazingen en –schilderingen kunnen niet toegestaan worden. 11.0.3. Bestemmingen
11.0.4. Watertoets
De zones voor gemeenschapsvoorzieningen overlappen gedeeltelijk met een ROG (recent overstroomd gebied) en risicozones voor overstroming. Ter hoogte van deze overlappingen is het voorzien van nuttige kelderruimte met opslag van brandstoffen of andere milieuschadelijke stoffen, verwarmingsinstallatie of elektrische installaties of ondergrondse garages niet toegestaan.
Binnen de zones voor gemeenschapsvoorzieningen dient de afvoer van (overtollig) regenwater en afvalwater 100% gescheiden te gebeuren. Afvalwater dient afgevoerd naar de riolering.
11.1. ZONE P 11.1.1. Inplanting van de gebouwen
De gebouwen kunnen vrij binnen de bestemmingzone ingeplant worden. Bij het dossier betreffende de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning dient wel een inrichtingsplan van de ganse zone te worden toegevoegd, teneinde de beoordeling van de inplanting van de gebouwen mogelijk te maken. 11.1.2.Volume en welstand van de gebouwen
Volume De bezettingscoëfficiënt binnen deze zone, d.i. de maximum bebouwbare grondoppervlakte, kan maximaal 20% bedragen. De maximale vloer – terreinindex (V/T), d.i. de verhouding vloeroppervlakte t.o.v. terreinoppervlakte, bedraagt 1,2.
Hoogte en dakvorm De dakvorm is vrij. De toelaatbare bouwhoogte, d.i. de kroonlijsthoogte, is afhankelijk van de inplanting van de gebouwen. De maximale hoogte van een bouwvolume is steeds gelijk aan de afstand tussen het betreffende bouwvolume enerzijds en de omliggende bebouwing anderzijds, met een absoluut maximumhoogte van 40m. Bouwvolumes met een hoogte van meer dan 25m worden enkel toegestaan op een minimumafstand van 25m ten opzichte van de perceelsgrens. In geval van schuine daken mogen boven de kroonlijsthoogte maximaal nog twee bouwlagen voorzien worden. 11.1.3. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De onbebouwde ruimte binnen de zone kan aangewend worden voor toeritten, circulatieruimte, parkings en groenvoorzieningen. Verhardingen mogen maximaal 70% van de onbebouwde ruimte innemen. Voor de aan te leggen verhardingen dienen waterdoorlatende materialen gebruikt te worden. Parkings dienen zoveel mogelijk gebundeld te worden en in grotere gehelen onder streekeigen hoogstammige bomen te worden aangelegd. Bij een aaneengesloten geheel dienen per 100m² parking minimaal 4 hoogstammen te worden voorzien. 11.2. ZONE N 11.2.1. Inplanting van de gebouwen
De gebouwen kunnen vrij binnen de bestemmingzone ingeplant worden. Bij het dossier betreffende de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning dient wel een inrichtingsplan van de ganse zone te worden toegevoegd, teneinde de beoordeling van de inplanting van de gebouwen mogelijk te maken. 11.2.2. Volume en welstand van de gebouwen
Volume De bezettingscoëfficiënt binnen deze zone, d.i. de maximum bebouwbare grondoppervlakte, kan maximaal 45% bedragen. De maximale vloer – terreinindex (V/T), d.i. de verhouding vloeroppervlakte t.o.v. terreinoppervlakte, bedraagt 1,3.
Hoogte en dakvorm De dakvorm is vrij. De maximaal toelaatbare bouwhoogte, d.i. de kroonlijsthoogte, is gelijk aan 15m. In geval van schuine daken mag boven de kroonlijsthoogte maximaal nog één bouwlaag voorzien worden. 11.2.3. Inrichting en gebruik van de onbebouwde ruimte
De onbebouwde ruimte binnen de zone kan aangewend worden voor toeritten, circulatieruimte, parkings, speelplaatsen en groenvoorzieningen. Verhardingen mogen maximaal 90% van de onbebouwde ruimte innemen. Voor de aan te leggen verhardingen dienen kleinschalige bestratingsmaterialen zoals klinkers, betonstraatstenen en steenslag gebruikt te worden of natuurlijke zachte en halfverharde materialen.
Parkings dienen zoveel mogelijk gebundeld te worden en in grotere gehelen onder streekeigen hoogstammige bomen te worden aangelegd. Bij een aaneengesloten geheel dienen per 100m² parking minimaal 4 hoogstammen te worden voorzien.
12. ZONE VOOR PRIVATE TUINEN
12.0.1. Bestemming
De zone voor private tuinen is bestemd voor de aanleg van tuinen die bedoeld zijn om gebruikt te worden voor privé-doeleinden. 12.0.2. Inrichting
In tuinen die grenzen aan een groenzone en een oppervlakte hebben van minstens 100m² dient ten minste 1 hoogstammige boom te worden voorzien.
Het optrekken van bergplaatsen en tuinhuisjes is enkel toegelaten indien deze beantwoorden aan de bepalingen van niet-vergunningsplichtige constructies. De materiaalkeuze dient in harmonie te zijn met deze van de hoofdgebouwen en bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt.
Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. Gesloten muurconstructies zijn enkel toegelaten op de grenzen tussen private tuinen enerzijds en de openbare wegenis en het openbaar domein anderzijds. De muren mogen uitsluitend in rode baksteen opgetrokken worden.Tussen de private tuinen onderling zijn geen gesloten muurconstructies toegelaten. De hoogte van afsluitingen bedraagt maximaal 2m. Terrassen mogen maximum een oppervlakte van 16m² hebben en worden aangelegd in waterdoorlatende materialen.
13. ZONE VOOR VOORTUINEN
13.0.1. Bestemming
De zone voor voortuinen is bestemd voor de aanleg van voor- en zijtuinen. 13.0.2. Inrichting
Minstens 50% van het oppervlak van deze zones, berekend per perceel, dient te worden beplant. Verhardingen dienen in waterdoorlatende materialen te worden uitgevoerd. Als afsluitingen zijn levende hagen en muurconstructies in materialen waarvan de architectuur in harmonie is met deze van het hoofdgebouw toegelaten. De maximale hoogte bedraagt 1,00m voor levende hagen en muurtjes. Indien specifieke eisen t.a.v. de zichtbaarheid in het openbaar domein gesteld worden, kunnen beperkende maatregelen opgelegd worden.
De zones voor voortuinen zullen steeds in volmaakte toestand van onderhoud gehouden worden. Het stadsbestuur houdt zich het recht voor in geval van nalatigheid, dit onderhoud te doen uitvoeren op kosten van de eigenaar.
14. ZONE VOOR SEMI-PUBLIEKE OPEN RUIMTE
14.0.1. Bestemming
De zone voor semi-publieke open ruimte is bestemd voor de aanleg van onbebouwde ruimte voor private doeleinde, maar met een al dan niet tijdelijk openbaar karakter. D.w.z. dat op bepaalde tijdstippen deze ruimte open gesteld dient te worden voor een ruim publiek of voor bepaalde doelgroepen ter ondersteuning van het functioneren van publieke of private functies, maar de ruimte mag eveneens gedurende bepaalde perioden afgesloten worden teneinde de veiligheid of het optimaal functioneren van de bijhorende functies te kunnen verzekeren. Het betreft o.a. speelplaatsen van scholen,… . 14.0.2. Inrichting
De zones voor semi-publieke open ruimte mogen volledig verhard worden. Voor de aan te leggen verhardingen dienen kleinschalige bestratingsmaterialen zoals klinkers, betonstraatstenen en steenslag gebruikt te worden of natuurlijke zachte en halfverharde materialen.
Er mogen draadafsluitingen, al dan niet in combinatie met levende hagen aangebracht worden. Gesloten muurconstructies zijn enkel toegelaten op grenzen tussen de zone voor semi-publieke open ruimte en zones met een woonbestemming of zones voor private tuinen. Op grenzen tussen enerzijds de openbare wegenis of groenzones met een publiek karakter en anderzijds de zone voor semi-publieke open ruimte zijn geen gesloten muurconstructies toegelaten. De hoogte van afsluitingen bedraagt maximaal 2m. Elke semi-publieke open ruimte dient ten minste aan één zijde, gedurende een bepaalde periode van de dag, week, maand of jaar, vrij toegankelijk gemaakt te kunnen worden voor bepaalde doelgroepen of een ruim publiek.
Het optrekken van bergplaatsen of andere constructies is niet toegestaan.
15. ZONE VOOR PARKGEBIED (P)
15.0.1. Bestemming
Deze zone is bestemd om ingericht te worden als park. Wandelrecreatie en bijhorende voorzieningen zijn toegelaten. Uitgezonderd zitbanken of reeds aanwezige historische elementen (grafzerken,…) zijn vaste constructies niet toegestaan. 15.0.2. Inrichting
De inrichting van het parkgebied mag het groene en open karakter van de omgeving niet schaden. De groen/terreinindex voor de volledige zone bedraagt minimaal 0,9. Wandelpaden en onderhoudswegen mogen in het parkgebied aangelegd worden in functie van passieve recreatie of het onderhoud van de zone. Deze paden moeten aangelegd worden in natuurlijke, zachte of halfverharde waterdoorlatende materialen. Bij de aanleg moet rekening gehouden worden met natuurlijke gegevens zoals reliëf, aanwezige bomen, grachten,… . Tracés voor wandelpaden zijn indicatief op het bestemmingsplan aangegeven. Afsluitingen zijn niet toegestaan, behalve dewelke volgens de voorschriften van aangrenzende bestemmingszones toegelaten zijn. Een uitzondering vormt het begraafpark St-Fredegandus: hier rond mag, t.b.v. de bescherming van de historische elementen, een afsluiting voorzien worden.
Ten behoeve van de brandveiligheid is het toegestaan om grenzend aan de “zone voor bedrijvigheid met nabestemming” een strook met breedte 6m aan te leggen met halfverharde waterdoorlatende materialen. Deze strook mag niet aangewend worden voor het stockeren van grondstoffen, schroot of ander afval en mag evenmin gebruikt worden als parkeerruimte.
Het optrekken van bergplaatsen of andere vaste constructies is niet toegestaan, uitgezonderd ten behoeve van het onderhoud en ecologische en waterhuishoudkundige aspecten van het Schijn.
16. ZONE VOOR OPENLUCHTRECREATIE
16.0.1. Bestemming
Deze zone is bestemd voor openluchtrecreatie (wandel- en speelrecreatie en volkstuintjes) en de daarvoor noodwendige infrastructuur. 16.0.2. Inrichting
De percelen die niet onderhouden worden door privé-eigenaars, kunnen door de gemeente als buurtpark worden ingericht en onderhouden, waarbij beperkte infrastructuur in functie van de wandel- en speel recreatie toegestaan is (zitbanken, verlichting, speeltuigen,…). Deze percelen zijn toegankelijk voor publiek. Voetwegen, al dan niet in combinatie met onderhoudswegen mogen in de zone worden aangelegd in functie van de recreatieve activiteiten of het onderhoud van het gebied. Deze paden moeten aangelegd worden in waterdoorlatende materialen. De paden zijn minimaal 1,5m en maximaal 3m breed. Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten, met uitzondering van gemotoriseerd verkeer voor laden en lossen van gebruiksmaterialen voor het onderhoud van de tuinen en de door de stad onderhouden percelen. Het permanent stationeren van voertuigen is niet toegelaten. De inrichting dient deel uit te maken van een ruime landschappelijke inrichting, waarbij enkel streekeigen beplanting is toegelaten en waarbij het open en groen karakter van de zone niet geschaad mag worden. Levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, zijn toegelaten rondom de individuele tuintjes. De maximum hoogte van de afsluitingen bedraagt 1m. Het natuurlijke peil van de grond mag niet worden gewijzigd. Bebouwing is uitsluitend toegelaten voor kleinschalige tuinbergingen en/of serres. Per tuintje is slechts 1 gebouw toegelaten met een maximale oppervlakte van 8m². De maximum toegelaten kroonlijsthoogte is 3m. De gebouwen worden opgetrokken in hout en/of glas. Clublokalen van jeugdbewegingen of andere verenigingen zijn toegelaten. Per zone is de maximum toegelaten vloeroppervlakte 500m². De bouwhoogte bedraagt maximum 3,5m. De gebouwen worden opgetrokken in beton, baksteen of hout. Snelbouwstenen zijn niet toegelaten gevelmaterialen. De dakvorm is vrij. Bij schuine daken zijn roofing in banen of golfplaten geen toegelaten materialen.
|

![i_BPA_11002_224_40037_00001_100003.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100003.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100004.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100004.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100006.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100006.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100007.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100007.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100009.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100009.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100011.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100011.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100013.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100013.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100015.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100015.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100016.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100016.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100017.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100017.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100018.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100018.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100022.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100022.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100027.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100027.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100034.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100034.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100035.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100035.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100036.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100036.png)
![i_BPA_11002_224_40037_00001_100045.png [image]](i_BPA_11002_224_40037_00001_100045.png)
