BPA DRAKENHOF - voorschriften

 

1. VOORAFGAANDE BEPALINGEN

 

Het Bijzonder Plan van Aanleg is begrensd volgens de aanduidingen van bijgaand
bestemmingsplan. De grafische gegevens van het plan en de reglementaire voorschriften ervan vullen elkaar aan.

 

Voor de gevallen waarbij kadastrale afwijkingen op het plan voorkomen ten overstaan van de situaties op plan aangegeven, kunnen de bestemmingen aangepast worden rekening houdend met de kadastrale juistheid.

 

Binnen de grenzen van dit BPA blijven de gemeentelijke bouwverordeningen, de
klasseringsbesluiten en de speciale wettelijke bepalingen van toepassing, tenzij anders bepaald in dit BPA. De bepalingen van dit plan zullen nooit mogen toegepast worden ten nadele van bestaande erfdienstbaarheden al dan niet van openbaar nut en voortkomende uit bijzondere reglementeringen.

 

De bepalingen van de vergunde verkavelingen gelegen in het BPA blijven van kracht ook al wijken zij af van de voorschriften van het BPA. Nieuwe verkavelingen kunnen enkel vergund worden binnen de voorschriften van het BPA.

 

2. TERMINOLOGIE

 

Aaneengesloten bebouwing

Gebouwen met twee gemene zijgevels of wachtgevels.

 

Balkon

Open uitbouw op de bovenverdieping van een huis.

 

Bebouwingscoëfficiënt

De verhouding van de bebouwde grondoppervlakte tot de totale perceelsoppervlakte.

 

Bergplaats

Gebouw dat tot berging wordt aangewend, met uitsluiting van enig bedrijf.

 

Bijgebouw

Gebouw in de tuinstroken, in principe afzonderlijk van het hoofdgebouw opgericht.

 

Bouwdiepte

De diepte gemeten vanaf de voorste grens van een bouwstrook of de diepte tussen een
voorgevel, samenvallend of evenwijdig met een bestemmingszonegrens, en een achtergevel.

 

Bouwhoogte

Hoogte van een gebouw of bouwvolume die, indien niet anders aangeduid, moet worden
gemeten van het grondpeil tot de bovenkant van de deksteen of kroonlijst.

 

Bouwlijn

Lijn waarop de voorgevel van een gebouw is geplaatst.

 

Bouwstrook

Strook die over haar gehele diepte voor bebouwing in aanmerking komt.

 

Bovenverdieping

Verdieping, hoger dan het gelijkvloers.

 

Constructie

Elk bouwwerk van hout, steen, metaal of ander bouwmateriaal dat hetzij met de grond
verbonden is, hetzij op de grond geplaatst is en zodanige afmetingen heeft dat het niet zonder voorbereidende werkzaamheden kan worden verplaatst.

 

Dakkapel

Hoog geplaatst dakvenster met spitse kap.

 

Dakterras

Dak van een huis of een deel ervan dat is aangelegd om erop te verblijven.

 

Eéngezinswoning

Een ééngezinswoning is een woongelegenheid voor één gezin.

 

Erker

Uitbouwsel aan een gevel dat zich over één of meer verdiepingen uitstrekt.

 

Gebouw

Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met doorgaande muren omsloten ruimte vormt.

 

Gelijkvloers

Op dezelfde hoogte als de vloer of de begane grond.

 

Gesloten bebouwing

Gebouwen in groepen zoals aangeduid op plan.

 

Groenterreinindex (G/T)

De groenterreinindex geeft de verhouding van de oppervlakte aan groen ten opzichte van de oppervlakte van het volledige terrein.

 

Hoekgebouw

Gebouw opgericht op een perceel dat aan twee straten paalt op de plaats waar deze elkaar
kruisen.

 

Hoofdbestemming

De hoofdbestemming is de verplichte invulling van de bestaande en op te richten gebouwen. De hoofdbestemming neemt minimaal 50% van de totale vloeroppervlakte in.

 

Hoofdgebouw

Bouwvolume dat begrepen is binnen de belijning van het maximumprofiel.

 

Hoogstammige boom

Onder hoogstammige boom wordt verstaan een boom (met inbegrip van hoogstammige fruitbomen) die tenminste 5m hoog is en op 1m een omtrek van tenminste 30cm heeft. Knotwilgen vormen een uitzondering op deze maten en zijn altijd hoogstam.

 

Kopgebouw

Gebouw aan begin of einde van een aaneengesloten rij van bebouwing en waarvan de vrijstaande zijgevel als een voorgevel is afgewerkt.

 

Koppelwoningen/gekoppelde woningen

Woningen met één gemene zijgevel of wachtgevel.

 

Meergezinswoning

Woonhuis waarin twee of meer woningen geheel of gedeeltelijk boven en/of naast elkaar
gelegen zijn.

 

Nevenbestemming

Een nevenbestemming is een mogelijke en toegelaten bestemming binnen de betreffende zone. De nevenbestemming neemt maximaal 50% van de totale vloeroppervlakte in.

 

Nokhoogte

De nokhoogte is de hoogte van de noklijn of -punt.

 

Open bebouwing

Alleenstaande gebouwen.

 

Parkeerplaats

 

Onder parkeerplaatd wordt verstaan hetzij een gesloten garage, hetzij een standplaats in een gesloten ruimte of in de open lucht, daartoe speciaal aangelegd en uitgerust.

 

Rooilijn

De grenslijn tussen de openbare weg en de aanpalende bestemmingszone.

 

Struik of heester van 1e orde

Hieronder wordt een volwassen gegroeide heester of struik verstaan met een grootte tussen 2,5m en 5m.

 

Technische verdieping

Verdieping van een gebouw die geheel of voor een belangrijk deel bestemd is voor technische uitrusting. De verdieping mag niet ingericht worden als woonvertrek.

 

Uitbouw

Uitspringend aanbouwsel zonder bovenverdieping.

 

Uitsprong

Deel van een gevel dat niet in hetzelfde vlak ligt als het overige gedeelte van die gevel.

 

Verdieping

Elk der afdelingen waarin een gebouw door horizontale scheidingsvlakken verdeeld wordt. Ruimte tussen twee vloeren.

 

Voortuin

Tuinstrook tussen de rooilijn en de voorgevel.

 

Vloerterreinindex (V/T)

Verhouding tussen de som van de totale oppervlakte der bovengrondse vloeren en de betrokken grondoppervlakte. Ondergrondse constructies of kelderverdiepingen die niet meer dan 1,5m boven het maaiveld uitkomen worden niet meegerekend in de totale vloeroppervlakte. De afmetingen worden buitenwerks gemeten.

 

Zone

Gebied binnen zekere begrenzingen waarbinnen bepaalde voorschriften gelden met betrekking tot het bouwen of niet bouwen en tot het inrichten.

 

3. OVERGANGSMAATREGELEN

 

3.1. BESTAANDE FUNCTIES AFWIJKEND VAN DE PLANVOORSCHRIFTEN

 

Bestaande vergunde/vergund geachte functies afwijkend van de planvoorschriften kunnen
behouden blijven binnen de bestaande volumes mits de plaatselijke bouwvoorschriften in acht genomen worden en voor zover deze activiteiten geen rook-, reuk-, lawaai- en/of andere hinder veroorzaken die schadelijk is voor de voorgeschreven of feitelijke hoofd- en nevenbestemmingen van het gebied. Verbouwingswerken binnen het bestaande volume waarbij een bestaande activiteit behouden blijft, die niet overeenstemt met de voorschriften van de betreffende zone, kunnen toegestaan worden. Bij herbouwings- of nieuwbouwwerken, met inbegrip van uitbreidingswerken, dient de nieuwe functie overeen te komen met de voorgeschreven bestemming.

 

 

3.2. VERBOUWINGSWERKEN AFWIJKEND VAN DE PLANVOORSCHRIFTEN

 

Bestaande vergunde gebouwen, in strijd met de voorschriften en aanduidingen van het BPA,
mogen verbouwd worden zolang er geen bijkomende elementen in strijd met de voorschriften en aanduidingen van het nieuwe BPA ontstaan.

 

4. ZONES VOOR OPENBARE WEGENIS

 

 [image]

4.1. WEGENIS

 

De bestemmingsgrens van de openbare wegenis legt de rooilijn vast, tenzij grafisch anders aangeduid op het bestemmingsplan.

Uitgesloten tekst :

De stroken in dit plan aangeduid voor openbare wegenis zullen, in zoverre zij nog niet tot de openbare wegenis behoren, hierbij ingelijfd worden door afstand, onteigening of verwerving.

Toelating tot bouwen kan slechts verleend worden op kavels die rechtstreeks palen aan of een regelmatig aangelegde toegang hebben tot de openbare weg, waarvan de rooilijnen door de bevoegde overheid zijn vastgelegd en waarvan de aanleg, de verharding en de algemene uitrusting uitgevoerd zijn overeenkomstig de eisen die hieraan door de bevoegde overheid gesteld zijn.

 

Nieuw aan te leggen openbare wegen dienen aangelegd te worden in waterdoorlatende
materialen. Binnen deze stroken mag worden aangebracht al wat de hedendaagse verkeerstechniek vereist, zoals parkeerruimten, beplantingen, voorzieningen voor openbaar vervoer,... .

De aanduidingen op plan van verhardingen, boordstenen, vluchtheuvels, beplantingen en
dergelijke zijn enkel indicatief weergegeven.

 

 

4.1.1. Tijdelijke rustzone

 

 [image]

Zolang de ‘groenzones met nabestemming openbare wegenis’ niet gerealiseerd zijn, kan
binnen de grafisch aangegeven ‘tijdelijke rustzones’ de realisatie van de wegenis
uitgesteld worden ten behoeve van het optimaal functioneren van de groenzone. De tijdelijke rustzones functioneren dan als rust- en keerpunten binnen de groene ruimte. De tijdelijke rustzones kunnen voorlopig ingericht worden volgens artikel 4.2 ‘openbare voetwegen / rustzones’. Zodra de ‘groenzones met nabestemming openbare wegenis’ gerealiseerd zijn verliezen de tijdelijke rustzones hun functie en dienen ze gerealiseerd te worden als wegenis.

 

 

4.2. VOETWEGEN / RUSTZONES

 

 [image]

Uitgesloten tekst :

De gedeelten bestemd voor openbare voetwegen of rustzones zullen, in zover zij nog niet tot het openbaar domein behoren, daarbij worden ingelijfd door afstand of door onteigening.

 

Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten, uitgezonderd gemotoriseerd verkeer ten behoeve van het onderhoud en functioneren van de volkstuintjes of gemotoriseerd dienstverkeer in
functie van onderhoud van het gebied als openbaar buurtgroen. Het permanent stationeren van voertuigen is niet toegelaten.

 

De voetwegen of rustzones worden uitgevoerd in grind. Ter hoogte van de rustzones kan de nodige uitrusting (schuilhuisjes, zitbanken, afvalemmers,...) voorzien worden. T.o.v.
bestemmingsgrenzen met zones voor wooninbreidingsprojecten dient bij de inplanting van eventuele schuilhuisjes een minimumafstand van 3m gerespecteerd te worden. De schuilhuisjes hebben een maximale omvang van 4,0m X 10,0m, een maximale hoogte van 3,5m en worden uitsluitend opgetrokken uit hout en/of glas. De dakvorm wordt beperkt tot een schuin dak met helling 40°. De uitvoering van de schuilhuisjes dient in alle rustzones identiek te zijn. De rustzones kunnen gedeeltelijk ingericht worden als petanqueveldjes.

 

4.3. DREEFSTRUCTUREN

 

 [image]

4.3.1. Bestemming en inrichting

 

De gedeelten bestemd voor openbare dreefstructuren zullen, in zover zij nog niet tot het openbaar domein behoren, daarbij worden ingelijfd door afstand of door onteigening.

 

Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten, uitgezonderd gemotoriseerd verkeer ten behoeve van het onderhoud en functioneren van de volkstuintjes of gemotoriseerd dienstverkeer in functie van onderhoud van het gebied als openbaar buurtgroen.

 

De dreefstructuren hebben een breedte van 10,0m en worden ingericht volgens het opgegeven profiel. De dreefstructuren worden uitgevoerd in grind en gazon. Elke dreef wordt gekenmerkt door een specifieke en uniforme bomenkeuze. Bij de aanplanting van de bomen kan per dreef een keuze gemaakt worden uit volgende soorten:

- juglans regia / okkernoot

- mespilus germanica / mispel

- morus nigra / moerbezieboom

 

Binnen de dreefstructuren kan de nodige uitrusting (zitbanken, afvalemmers,...) voorzien
worden.

 [image]

 

 

4.3.1. Bestemming en inrichting

 

De gedeelten bestemd voor openbare dreefstructuren zullen, in zover zij nog niet tot het openbaar domein behoren, daarbij worden ingelijfd door afstand of door onteigening.

 

Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten, uitgezonderd gemotoriseerd verkeer ten behoeve van het onderhoud en functioneren van de volkstuintjes of gemotoriseerd dienstverkeer in functie van onderhoud van het gebied als openbaar buurtgroen.

 

De dreefstructuren hebben een breedte van 10,0m en worden ingericht volgens het opgegeven profiel. De dreefstructuren worden uitgevoerd in grind en gazon. Elke dreef wordt gekenmerkt door een specifieke en uniforme bomenkeuze. Bij de aanplanting van de bomen kan per dreef een keuze gemaakt worden uit volgende soorten:

- juglans regia / okkernoot

- mespilus germanica / mispel

- morus nigra / moerbezieboom

 

Binnen de dreefstructuren kan de nodige uitrusting (zitbanken, afvalemmers,...) voorzien
worden.

 

 

4.3.2. Tijdelijke rustzone

 

 [image]

Zolang de ‘groenzones met nabestemming openbare wegenis’ niet gerealiseerd zijn, kan
binnen de grafisch aangegeven ‘tijdelijke rustzones’ de realisatie van de dreefstructuren
uitgesteld worden ten behoeve van het optimaal functioneren van de groenzone. De tijdelijke rustzones functioneren dan als rust- en keerpunten binnen de groene ruimte. De tijdelijke rustzones kunnen voorlopig ingericht worden volgens artikel 4.2 ‘openbare voetwegen / rustzones’. Zodra de ‘groenzones met nabestemming openbare wegenis’ gerealiseerd zijn verliezen de tijdelijke rustzones hun functie en dienen ze gerealiseerd te worden als dreefstructuren.

 

5. GROENZONES

Uitgesloten tekst :

5.1. ZONE VOOR BUFFERGROEN

 

 [image]

5.1. ZONE VOOR BUFFERGROEN

 

 

5.1.1. Bestemming

 

De zones voor buffergroen schermen enerzijds de zones voor begeleid wonen af van de
openbare wegenis en creëren anderzijds een buffer tussen de recreatiezones en de aangrenzende woonzones langsheen de Borsbeeksesteenweg en Grensstraat. De zones voor buffergroen zijn bestemd om volledig met inheemse planten ingericht te worden.

 

5.1.2. Inrichting

 

De zone voor buffergroen dient volledig beplant te worden met inheems en streekeigen laag- en hoogstammig groen. De groenterreinindex bedraagt 1.

 

De beplantingen dienen in stand gehouden zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en gewoonrechtelijke bepalingen ter zake.

 

5.2. ZONE VOOR GROEN MET RECREATIEVE WAARDE

 

 [image]

5.2.1. Bestemming

 

Deze zone is bestemd om ingericht te worden als groengebied met mogelijkheid tot zachte recreatie of openluchtrecreatie. Er worden voorzieningen toegelaten die nodig zijn voor de uitbouw van de groenzone. Hieronder kan worden verstaan: zitbanken, vuilnisemmers, verlichting, speeltuigen, moestuintjes,... . Sportvelden of skate-infrastructuur worden niet toegelaten.

 

 

5.2.2. Inrichting

 

Per zone kan de volledige grondoppervlakte benut worden voor de inrichting van moestuintjes. In functie van de maatschappelijke behoefte kan het aandeel moestuintjes ten opzichte van publieke groene ruimte aangepast worden. Grondoppervlakte die niet benut wordt door moestuintjes wordt ingericht met boomgaarden, gazon of waterelementen (vijvers, infiltratiebekkens...).

Voor de samenstelling van het plantmateriaal van de boomgaarden dient een keuze gemaakt te worden uit:

- malus domestica ‘president van dievoet’ / appel

- malus domestica ‘oude kattekop’ / appel

- malus domestica ‘pitmaster pineapple’ / appel

- prunus domestica ‘belle de louvain’ / pruim

- prunus domestica ‘reine claude crotée’ / pruim

- prunus avium ‘lamotten’ / kers

- prunus avium ‘bigarreux noire d’espagne’ / kers

Ander plantmateriaal dat in aanmerking komt bij de inrichting van de open ruimte, in groepen of solitair, zijn:

- platanus acerfolia / plataan

- tilia euchlora / linde

Moestuintjes worden ingericht met als richtafmetingen 20m x 7m. Afwijkingen zijn mogelijk, doch de maximale oppervlakte per tuintje bedraagt 200m².

 

Bebouwing is niet toegestaan, uitgezonderd ten behoeve van hobbyserres, bergingen bij de moestuintjes of schuilhutten. Per tuintje wordt maximaal één hobbyserre en één berging
toegestaan, beide met een afzonderlijke oppervlakte van 2,5m x 2,5m. De maximale hoogte bedraagt 3m. De dakvorm wordt beperkt tot een schuin dak met helling 40°. De gebouwen
worden opgetrokken in hout en/of glas. De bergingen dienen voor alle tuintjes een uniform uitzicht te hebben. Voor schuilhutten bij andere zachte of open lucht recreatie geldt eveneens een maximale oppevlakte van 6,25m², een maximale hoogte van 3m, een verplichte schuine dakvorm en wordt het materiaal beperkt tot hout en/of glas. .

 

Wandelpaden of verhardingen mogen aangelegd worden in functie van de zachte of openlucht recreatie. Deze paden of verhardingen worden aangelegd in grind en hebben een maximale breedte van 1,2m. Gemotoriseerd verkeer is niet toegelaten.

Afsluitingen zijn enkele toegelaten rond individuele moestuintjes en enkel levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, zijn toegelaten. De maximale hoogte van de afsluitingen bedraagt 1m.

In functie van de zachte of openlucht recreatie zijn reliëfwijzigingen toegestaan. Er dient
evenwel steeds over gewaakt te worden dat er geen negatieve effecten (wateroverlast,...) in de onmiddellijke omgeving ontstaan.

 

 

5.2.3. Tijdelijke rustzone

 

 [image]

Zolang de ‘groenzones met nabestemming openbare wegenis’ niet gerealiseerd zijn, kan
binnen de grafisch aangegeven ‘tijdelijke rustzones’ de realisatie van de groenzone met
recreatieve waarde uitgesteld worden ten behoeve van het optimaal functioneren van de groenzone. De tijdelijke rustzones functioneren dan als rust- en keerpunten binnen de groene ruimte. De tijdelijke rustzones kunnen voorlopig ingericht worden volgens artikel 4.2 ‘openbare voetwegen / rustzones’. Zodra de ‘groenzones met nabestemming openbare wegenis’ gerealiseerd zijn verliezen de tijdelijke rustzones hun functie en dienen ze gerealiseerd te worden als groenzone met recreatieve waarde.

 

5.3. ZONE VOOR GROEN MET RECREATIEVE WAARDE EN NABESTEMMING OPENBARE WEGENIS

 

 [image]

5.3.1. Bestemming

Hoofdbestemming

 

Deze zone is bestemd om ingericht te worden als groengebied met mogelijkheid tot zachte
recreatie of openluchtrecreatie. Er gelden de voorschriften van artikel 5.2 ‘zone voor groen met recreatieve waarde’.

Uitgesloten tekst :

Nabestemming

 

In functie van de maatschappelijke behoeften kan de ganse zone een nieuwe bestemming
krijgen, namelijk ‘openbare wegenis’. De nabestemming wordt ingevoerd wanneer bij de aangrenzende ‘zones voor groen met recreatieve waarde en nabestemming wooninbreidings-
project’ de nabestemming gerealiseerd wordt. Vanaf de invoering van de nabestemming gelden de voorschriften van
artikel 4.1 ‘openbare wegenis’.

 

5.4. ZONE VOOR GROEN MET RECREATIEVE WAARDE EN NABESTEMMING WOONINBREIDINGSPROJECT

 

 [image]

 

5.4.1. Bestemming

Hoofdbestemming

 

Deze zone is bestemd om ingericht te worden als groengebied met mogelijkheid tot zachte
recreatie of openluchtrecreatie. Er gelden de voorschriften van artikel 5.2 ‘zone voor groen met recreatieve waarde’.

Uitgesloten tekst :

Nabestemming

 

In functie van de maatschappelijke behoeften kan de ganse zone een nieuwe bestemming
krijgen, namelijk ‘wooninbreidingsproject’. De nabestemming wordt ingevoerd wanneer uit een actuele, door de Gemeenteraad en hogere overheid goedgekeurde raming van de
woonbehoeften zal blijken dat de voorraad aansnijdbare gronden volgens de dan geldende
woningprogrammatie niet meer toereikend is om te voldoen aan de geactualiseerde
woonbehoeften. Vanaf de invoering van de nabestemming gelden de voorschriften van
artikel 8 ‘zone voor wooninbreidingsproject’.

 

Het s-RSA stelt dat een geactualiseerde raming van de woonbehoeften gebeurt wanneer aangetoond kan worden dat de gezinsprognose (gemeentelijke bevoegdheid: Databank Sociale Planning) en/of de taakstelling van het grootstedelijk gebied Antwerpen (bevoegdheid van de Vlaamse overheid) is gewijzigd.

 

6. RECREATIEZONES

 

 [image]

6.1.1. Bestemming

 

Deze zones zijn bestemd voor recreatieve sportactiviteiten en de daarvoor noodzakelijke randinfrastructuur. Er worden voorzieningen toegelaten die nodig zijn voor de optimale uitbouw van de betreffende recreatieve activiteiten: verlichting, afsluitingen, kunstgrasvelden, clublokalen,...

 

 

6.1.2. Inrichting

 

Verhardingen zijn toegelaten ten behoeve van voetwegen, parkings en hun toegangswegen. Per recreatiezone mag de verharde oppervlakte maximaal 50% van de totale zone innemen. Kunstgras of bebouwing wordt niet meegeteld als verharding. De verhardingen worden voorzien in waterdoorlatende materialen.

Parkings worden op zo kort mogelijke afstand van de publieke wegenis (Grensstraat en
Borsbeeksteenweg) ingeplant en worden aangelegd als ‘groene parkings’: per 4 parkeerplaatsen dient een boom voorzien te worden. Hiervoor komen in aanmerking:

- platanus acerifolia / plataan

- tilia euchlora / linde

Het maximum aantal te voorziene parkeerplaatsen binnen de ganse zone bedraagt 80 eenheden.

Reliëfwijzigingen en drainage zijn toegelaten in functie van het bespeelbaar maken van sportterreinen. Er dienen daarbij echter alle nodige maatregelen getroffen te worden om nadelige effecten (wateroverlast) in de onmiddellijke omgeving te vermijden.

 

Binnen de recreatiezones wordt geen doorgaand gemotoriseerd verkeer toegestaan.
Gemotoriseerd verkeer wordt enkel toegelaten in functie van het onderhoud van deze
zones of ten behoeve van het functioneren van de sportactiviteiten (parkeren bij training of
wedstrijden).

Afsluitingen zijn toegelaten. Er worden zowel levende hagen, draadafsluitingen als metalen hekwerkafsluitingen toegestaan. De maximale hoogte van de levende hagen of hekwerken bedraagt 1,8m. De maximale hoogte van draadafsluitingen bedraagt 9m.

 

6.1.3. Bebouwing

 

Bebouwing is enkel toegelaten in de daarvoor op bestemmingsplan aangeduide bouwstroken type 1 en 2. De niet-bebouwde oppervlakte binnen deze bouwstroken kan integraal verhard worden.

 

De bebouwingswijze wordt per type bouwstrook als volgt gespecificeerd:

 

● Bouwtrook type 1:

 [image]

V = de maximaal realiseerbare vloeroppervlakte

T = de grondoppervlakte van de bouwstrook, in dit geval 2100m² (60 x 35m)

 

De bouwstrook type 1 is bestemd voor de oprichting van een kleine sporthal en kan volledig bebouwd worden. De V/T-index bedraagt 1,2. De maximum bouwhoogte bedraagt 10,5m. In principe zijn alle materialen toelaatbaar indien ze constructief en esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord zijn. Een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren dient vermeden te worden. Er dient een esthetische afstemming nagestreefd te worden met de gebouwen in de bouwstroken type 2. Bij voorkeur vormen deze één architecturaal geheel. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen zijn niet toegelaten als gevelmaterialen. Betonblokken worden toegelaten als gevelmaterialen, indien ze esthetisch verantwoord zijn. De dakvorm is vrij. Indien schuine of ronde daken toegepast worden is de maximum toegelaten nokhoogte 15,5m. Een hal in de vorm van een boogloods is niet toegestaan.

 

● Bouwstrook type 2:

 [image]

V = de maximaal realiseerbare vloeroppervlakte

T = de grondoppervlakte van de bouwstrook, in dit geval 1330m²

 

De bouwstrook type 2 is bestemd voor de oprichting van clublokalen en kunnen volledig bebouwd worden. De V/T-index bedraagt 2,0. De maximum bouwhoogte bedraagt 6,5m. In principe zijn alle materialen toelaatbaar indien ze constructief en esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord zijn. Een overmatige
verscheidenheid van materialen en kleuren dient vermeden te worden. Er dient een
esthetische afstemming nagestreefd te worden met de gebouwen in de bouwstrook type 1. Bij voorkeur vormen deze één architecturaal geheel. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen zijn niet toegelaten als gevelmaterialen. Betonblokken worden toegelaten als gevelmaterialen, indien ze esthetisch verantwoord zijn. De dakvorm is vrij. Indien schuine daken toegepast worden is de maximum toegelaten nokhoogte 11m.

 

 

7. ZONES VOOR WONINGEN IN DE RANDEN

 

 [image]

7.1. WONINGEN TYPE 1

 

7.1. WONINGEN TYPE 1

 

7.1.1. Bestemmingen

 

In hoofdbestemming:

 

● ééngezinswoningen in groepen

● meergezinswoningen

 

In nevenbestemming:

 

● vrije beroepen

● buurtwinkels

● horeca

● verzorgende bedrijven of ambachtelijke bedrijven

● diensten en gemeenschapsvoorzieningen

 

 

7.1.2. Bebouwing

 

 [image]

Bouwstroken en voortuinstroken

Bebouwing is enkel toegestaan binnen de grafisch aangegeven ‘bouwstroken’. De voorste grens van de bouwstrook geldt als verplichte bouwlijn.

De stroken tussen de openbare wegenis en de aangegeven bouwstroken dienen ingericht te
worden als voortuinen. Maximaal 40% van deze voortuinstroken kan verhard worden. De
materialen van de verharde oppervlakte dienen waterdoorlatend te zijn. Binnen deze stroken zijn geen vaste constructies toegestaan. Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. De maximale hoogte van deze afsluitingen bedraagt 0,8m.

 

Bouwdiepte

De minimale bouwdiepte bedraagt 8m.

De maximale bouwdiepte bedraagt de grafisch aangegeven diepte van de bouwstrook voor
zowel het gelijkvloers als de verdiepingen.

 

Bouwhoogte

Maximaal 3 bouwlagen.

Kroonlijsthoogte: - minimaal 6m

- maximaal 10,5m

 

Dakhelling en nokhoogte

Zowel voor de hoofdgebouwen als aanbouwen zijn platte daken verplicht. Ronde en hellende daken zijn niet toegelaten.

 

Materialen

Gevels

Alle definitief zichtbaar blijvende delen van gebouwen moeten als voorgevel behandeld
worden voor wat betreft de keuze van materialen en de afwerking. In principe zijn alle gevelmaterialen toelaatbaar indien ze constructief en esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord zijn. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen en betonblokken zijn niet toegelaten. Een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren, zowel voor één gebouw als binnen de volledige zone, dient vermeden te worden. In het materiaalgebruik wordt gestreefd naar harmonie met de omgeving.

Daken

De materialen moeten in harmonie zijn met deze van de bebouwde omgeving in het algemeen en in het bijzonder met deze van de naburige gebouwen.

 

Parkeergelegenheid

 [image]

Parkeergelegenheden worden inpandig in het hoofdvolume voorzien. Per hoofdvolume wordt het aantal toegangen tot de parkeergelegenheden beperkt tot 2 toegangen. Enkel in de daarvoor aangeduide zones worden afzonderlijke parkeerboxen buiten het hoofdvolume toegestaan. De maximum toegelaten hoogte van de parkeerboxen bedraagt 3m.

 

Bijgebouw voor nijverheid

 [image]

Buiten het hoofdgebouw is het toegestaan in de daarvoor grafisch aangegeven stroken voor ‘bijgebouw voor nijverheid’ een constructie voor ambachtelijke activiteiten te voorzien. De ganse strook kan bebouwd worden. De V/T-index bedraagt 1. De maximum bouwhoogte bedraagt 4,5m. Een plat dak is verplicht. Materialen dienen in harmonie te zijn met het hoofdgebouw.

 

 

7.1.3. Onbebouwde ruimte

 

De onbebouwde oppervlakte wordt aangewend voor terrassen, tuinen en groenvoorzieningen. Het natuurlijke peil van de grond mag niet worden gewijzigd op minder dan 3m afstand van de eigendomsgrenzen.

 

De groenterreinindex van de onbebouwde ruimte is minimaal 0,8.

 

Het optrekken van bergplaatsen en tuinhuisjes is toegelaten, indien deze niet groter van 30m² zijn. Deze constructies mogen niet aansluitend op het hoofdgebouw opgetrokken worden. Tussen de achtergevel van het hoofdgebouw en de constructie dient een minimale afstand van 10m gerespecteerd te worden. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2m. T.o.v. de achterste perceelsgrens dient een minimumafstand van 5m gerespecteerd te worden. Per perceel is slechts één constructie toegelaten. De bergplaatsen en tuinhuisjes kunnen wel gegroepeerd worden. In dit geval mogen ze, mits akkoord en gemeenschappelijke aanvraag van de aanpalende (mede)-eigenaars, op de eigendomsgrenzen gebouwd worden. Zij worden dan tevens verplichtend opgericht op eenzelfde bouwlijn en met eenzelfde dakvorm.

De totale hoogte van de bergplaatsen of tuinhuisjes bedraagt maximum 3m. De dakvorm is vrij.

De materiaalkeuze dient in harmonie te zijn met deze van het hoofdgebouw en bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt.

 

Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht in functie van het garanderen van de privacy van de bewoners. De hoogte van de hagen en draadafsluitingen bedraagt maximaal 1,8m. Gesloten muurconstructies of afsluitingen zijn niet toegelaten.

 

De materialen van de verharde oppervlakte (terrassen) dienen waterdoorlatend te zijn.

 

7.2. WONINGEN TYPE 2

 

 [image]

7.2.1. Bestemmingen

 

In hoofdbestemming:

 

● ééngezinswoningen in groepen

● meergezinswoningen

 

In nevenbestemming:

 

● vrije beroepen

● buurtwinkels

● horeca

● verzorgende bedrijven of ambachtelijke bedrijven

● diensten en gemeenschapsvoorzieningen

 

 

7.2.2. Bebouwing

 

 [image]

Bouwstroken en voortuinstroken

Bebouwing is enkel toegestaan binnen de grafisch aangegeven ‘bouwstroken’. De voorste grens van de bouwstrook geldt als verplichte bouwlijn.

De stroken tussen de openbare wegenis en de aangegeven bouwstroken dienen ingericht te
worden als voortuinen. Maximaal 40% van deze voortuinstroken kan verhard worden. De
materialen van de verharde oppervlakte dienen waterdoorlatend te zijn. Binnen deze stroken zijn geen vaste constructies toegestaan. Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. De maximale hoogte van deze afsluitingen bedraagt 0,8m.

 

Bouwdiepte

De minimale bouwdiepte bedraagt 8m.

De maximale bouwdiepte bedraagt de grafisch aangegeven diepte van de bouwstrook voor
zowel het gelijkvloers als de verdiepingen.

 

Bouwhoogte

Maximaal 2 bouwlagen.

Kroonlijsthoogte: - minimaal 6m

- maximaal 7m

 

Dakhelling en nokhoogte

Voor de hoofdgebouwen zijn hellende daken verplicht. Voor eventuele aanbouwen zijn platte daken verplicht. Ronde daken zijn niet toegelaten. Indien een hellend dak wordt voorzien, is het toegestaan een deel van de woning in de dakruimte te voorzien. De nokhoogte mag variëren tussen de 4m en 7m boven de kroonlijsthoogte.

 

Materialen

Gevels

Alle definitief zichtbaar blijvende delen van gebouwen moeten als voorgevel behandeld
worden voor wat betreft de keuze van materialen en de afwerking. In principe zijn alle gevelmaterialen toelaatbaar indien ze constructief en esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord zijn. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen en betonblokken zijn niet toegelaten. Een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren, zowel voor één gebouw als binnen de volledige zone, dient vermeden te worden. In het materiaalgebruik wordt gestreefd naar harmonie met de omgeving.

 

Daken

De materialen moeten in harmonie zijn met deze van de bebouwde omgeving in het algemeen en in het bijzonder met deze van de naburige gebouwen.

 

Parkeergelegenheid

 [image]

Parkeergelegenheden worden inpandig in het hoofdvolume voorzien. Per hoofdvolume wordt het aantal toegangen tot de parkeergelegenheden beperkt tot 2 toegangen. Enkel in de daarvoor aangeduide zones worden afzonderlijke parkeerboxen buiten het hoofdvolume toegestaan. De maximum toegelaten hoogte van de parkeerboxen bedraagt 3m.

 

 

7.2.3. Onbebouwde ruimte

 

De onbebouwde oppervlakte wordt aangewend voor terrassen, tuinen en groenvoorzieningen. Het natuurlijke peil van de grond mag niet worden gewijzigd op minder dan 3m afstand van de eigendomsgrenzen.

 

De groenterreinindex van de onbebouwde ruimte is minimaal 0,8.

 

Het optrekken van bergplaatsen en tuinhuisjes is toegelaten, indien deze niet groter van 30m² zijn. Deze constructies mogen niet aansluitend op het hoofdgebouw opgetrokken worden. Tussen de achtergevel van het hoofdgebouw en de constructie dient een minimale afstand van 10m gerespecteerd te worden. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2m. T.o.v. de achterste perceelsgrens dient een minimumafstand van 5m gerespecteerd te worden. Per perceel is slechts één constructie toegelaten. De bergplaatsen en tuinhuisjes kunnen wel gegroepeerd worden. In dit geval mogen ze, mits akkoord en gemeenschappelijke aanvraag van de aanpalende (mede)-eigenaars, op de eigendomsgrenzen gebouwd worden. Zij worden dan tevens verplichtend opgericht op eenzelfde bouwlijn en met eenzelfde dakvorm.

De totale hoogte van de bergplaatsen of tuinhuisjes bedraagt maximum 3m. De dakvorm is vrij.

De materiaalkeuze dient in harmonie te zijn met deze van het hoofdgebouw en bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt.

 

Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht in functie van het gara nderen van de privacy van de bewoners. De hoogte van de hagen en draadafsluitingen bedraagt maximaal 1,8m. Gesloten muurconstructies of afsluitingen zijn niet toegelaten.

 

De materialen van de verharde oppervlakte (terrassen) dienen waterdoorlatend te zijn.

 

7.3. HISTORISCH OF LANDSCHAPPELIJK WAARDEVOLLE WONINGEN

 

 [image]

7.3.1. Bestemmingen

 

In hoofdbestemming:

 

● ééngezinswoningen

 

In nevenbestemming:

 

● vrije beroepen

● horeca

● diensten en gemeenschapsvoorzieningen

 

Verboden bestemmingen:

 

● meergezinswoningen

● buurtwinkels

● verzorgende of ambachtelijke bedrijven

 

 

7.3.2. Bebouwing

 

 [image]

Bouwstroken en voortuinstroken

Bebouwing is enkel toegestaan binnen de grafisch aangegeven ‘bouwstroken’. In deze zones
kunnen de bestaande historisch en/of landschappelijk waardevolle woningen binnen het
bestaande volume hersteld of verbouwd worden. Bij verbouwing dienen kenmerken zoals
materiaalgebruik, volumetrie en gevelindeling zoveel mogelijk behouden te blijven.

De stroken tussen de openbare wegenis en de aangegeven bouwstroken dienen ingericht te
worden als voortuinen. Maximaal 20% van deze voortuinstroken kan verhard worden. De
materialen van de verharde oppervlakte dienen waterdoorlatend te zijn. Binnen deze stroken zijn geen vaste constructies toegestaan. Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. De maximale hoogte van deze afsluitingen bedraagt 0,8m.

 

Materialen

De gebruikte materialen dienen in harmonie te zijn met deze van de bestaande gebouwen
binnen de bestemmingszone.

 

7.3.3. Bijkomende advisering

 

Voor alle herstellings- of verbouwingswerken, evenals elke bestemmingswijziging waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is, wordt door de dienst stedenbouwkundige vergunningen een advies gevraagd aan zowel de gewestelijke als stedelijke dienst monumentenzorg en aan de welstandscommissie. Dezee adviezen zijn indicatief en niet bindend.

 

7.3.4. Onbebouwde ruimte

 

De onbebouwde oppervlakte wordt aangewend voor terrassen, tuinen en groenvoorzieningen. Het natuurlijke peil van de grond mag niet worden gewijzigd op minder dan 3m afstand van de eigendomsgrenzen.

 

De groenterreinindex van de onbebouwde ruimte is minimaal 0,8.

 

Het optrekken van bergplaatsen en tuinhuisjes is toegelaten, indien deze niet groter van 30m² zijn. Deze constructies mogen niet aansluitend op het hoofdgebouw opgetrokken worden. Tussen de achtergevel van het hoofdgebouw en de constructie dient een minimale afstand van 10m gerespecteerd te worden. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2m. T.o.v. de achterste perceelsgrens dient een minimumafstand van 5m gerespecteerd te worden. Per perceel is slechts één constructie toegelaten. De bergplaatsen en tuinhuisjes kunnen wel gegroepeerd worden. In dit geval mogen ze, mits akkoord en gemeenschappelijke aanvraag van de aanpalende (mede)-eigenaars, op de eigendomsgrenzen gebouwd worden. Zij worden dan tevens verplichtend opgericht op eenzelfde bouwlijn en met eenzelfde dakvorm.

De totale hoogte van de bergplaatsen of tuinhuisjes bedraagt maximum 3m. De dakvorm is vrij.

De materiaalkeuze dient in harmonie te zijn met deze van het hoofdgebouw en bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt.

 

Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht in functie van het gara nderen van de privacy van de bewoners. De hoogte van de hagen en draadafsluitingen bedraagt maximaal 1,8m. Gesloten muurconstructies of afsluitingen zijn niet toegelaten.

 

De materialen van de verharde oppervlakte (terrassen) dienen waterdoorlatend te zijn.

8. ZONES VOOR WOONINBREIDINGSPROJECT

 

 [image]

8.1.1. Bestemmingen

 

Hoofdbestemming:

 

● ééngezinswoningen in groepen

● meergezinswoningen

 

Nevenbestemming:

 

● vrije beroepen

● buurtwinkels

● horeca

● diensten en gemeenschapsvoorzieningen

 

Verboden bestemming:

 

verzorgende en ambachtelijke bedrijven

 

 

8.1.2. Bebouwing

 

Inplanting van de gebouwen

De inplanting van de gebouwen binnen de zones A, B, C en D is vrij.

Er dient ten opzichte van de bestemmingsgrens met de aangrenzende ‘zones voor woningen in de randen’, ‘zones voor begeleid wonen’ en de grenzen van het plangebied van het BPA een minimumafstand van 14m gerespecteerd te worden. Ten opzichte van de bestemmingsgrens met de aangrenzende ‘zones voor groen met recreatieve waarde’, ‘recreatiezones’ en ‘zones voor openbare voetwegen / rustzones’ dient een minimumafstand van 4m gerespecteerd te worden.

Tussen alleenstaande bouwvolumes of groepen gebouwen onderling dient een afstand gerespecteerd te worden gelijk aan de kroonlijsthoogte van het hoogste bouwvolume of groep gebouwen en met een minimum van 6m.

In de zone A dient ten opzichte van de zone voor openbare wegenis ter hoogte van de Grensstraat een minimumafstand van 5m gerespecteerd te worden.

 

 

Bebouwingscoëfficiënten en bouwhoogte

De maximaal toegelaten bouwvolumes worden per zone bepaald door de vloerterrein-index (V/T), de openruimte-index (O/T) en de maximaal toegelaten bouwhoogte (H).

 

Zone

T (ha)

V/T

O/T

H (m)

aantal bouwlagen onder kroonlijst

A

0,48

1,33

0,60

14

4

B

0,91

1,12

0,63

10,5

3

C

0,48

1,36

0,63

14

4

D

0,68

1,17

0,68

14

4

 

T = de grondoppervlakte van de bestemmingszone

V = de maximaal realiseerbare vloeroppervlakte

O = de niet-bebouwbare grondoppervlakte

H = de maximaal toegelaten bouwhoogte

(= kroonlijsthoogte in m)

 

Boven de kroonlijsthoogte is het toegestaan een technische verdieping te voorzien. Deze bouwlaag is maximaal 3m hoog en dient ten opzichte van alle gevels 4m achteruit te springen.

 

 

Diepte van de bouwvolumes

De diepte van bouwvolumes, dit is de afstand tussen enerzijds een voorgevel of een gevel parallel met de voorgevel en anderzijds de ertegenover gesitueerde achtergevel, bedraagt maximaal 15m.

 

Dakvorm

Enkel platte daken zijn toegestaan. De daken worden uitgevoerd als groene daken. Het is toegestaan 60% van deze daken in te richten als dakterrassen.

 

Materialen

Alle definitief zichtbaar blijvende delen van gebouwen of gelijk welke andere constructie
moeten als voorgevel worden behandeld voor wat betreft de keuze van materialen en de
afwerking. In principe zijn alle gevelmaterialen toegelaten indien ze constructief en
esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord zijn. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen en betonblokken zijn niet toegelaten.

Een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren, zowel voor één gebouw als binnen de volledige bestemmingszone, dient vermeden te worden. De bouwvolumes binnen elke zone dienen als één architectonisch geheel over te komen.

 

Uitsprongen uit de gevels

Uitsprongen uit de gevelvlakken voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprongen hebben een maximale diepte van 1m. De uitsprongen dienen tevens een minimale afstand van 1m ten opzichte van de hoeken van het bouwvolume te respecteren. Bij toepassing van erkers mag per gevel de uitgesprongen geveloppervlakte in totaal niet meer dan 1/3 van het totale gevelvlak bedragen.

 

Parkeergelegenheid

Per wooneenheid dient minimum één parkeergelegenheid voorzien te worden. De
parkeergelegenheden dienen inpandig of ondergronds gerealiseerd te worden. De toegangen tot de parkeergelegenheden worden geïntegreerd in de bouwvolumes. ‘Gapende’ toegangen los van de bouwvolumes worden niet toegestaan. Per bouwvolume wordt het aantal toegangen tot de parkeergarages beperkt tot maximaal 4 toegangen.

 

 

8.1.3. Onbebouwde ruimte

 

De onbebouwde oppervlakte wordt aangewend voor lokale ontsluiting van de individuele bouwvolumes of wooneenheden, voor terrassen, tuinen en groenvoorzieningen.

 

De groenterreinindex van de onbebouwde ruimte bedraagt minimaal 0,5. De materialen van de verharde oppervlakte dienen waterdoorlatend te zijn.

 

Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. De hoogte van de hagen en draadafsluitingen bedraagt maximaal 1,80m. Gesloten muurconstructies of afsluitingen zijn niet toegelaten. Bergplaatsen en tuinhuisjes zijn toegelaten voor zover zij beantwoorden aan de bepalingen van niet-vergunningsplichtige constructies.

 

9. ZONES VOOR BEGELEID WONEN

 

 [image]

9.1.1. Bestemmingen

 

Hoofdbestemming:

 

● Alle voorzieningen, gebouwen en infrastructuur noodzakelijk voor de opvang van personen met een handicap: dagcentrum, aangepaste wooneenheden,... .

 

Nevenbestemming:

 

● diensten gemeenschapsvoorzieningen

● één- en meergezinswoningen

● buurtwinkels en diensten

 

Verboden bestemmingen:

● vrije beroepen

● horeca

● ambachtelijke bedrijven

 

 

9.1.2. Bebouwing

 

Inplanting van de gebouwen

De inplanting van de gebouwen is vrij.

Er dient ten opzichte van de bestemmingsgrens met de aangrenzende ‘zones voor woningen in de randen’ en ‘zones voor groen met recreatieve waarde en nabestemming wooninbreidingsproject’ een minimumafstand van 10,5m gerespecteerd te worden. Ten opzichte van de bestemmingsgrens met de aangrenzende ‘zones voor groen met recreatieve waarde’ en ‘zones voor openbare dreefstructuren’ een minimumafstand van 4m gerespecteerd te worden. Tussen alleenstaande bouwvolumes of groepen gebouwen onderling dient een afstand gerespecteerd te worden gelijk aan de kroonlijsthoogte van het hoogste bouwvolume of groep gebouwen en met een minimum van 6m.

 

 

 

 

Bebouwingscoëfficiënten en bouwhoogte

De maximaal toegelaten bouwvolumes worden per zone bepaald door de vloerterrein-index (V/T), de openruimte-index (O/T) en de maximaal toegelaten bouwhoogte (H).

 

Zone

T(ha)

V/T

O/T

H(m)

aantal bouwlagen onder kroonlijst

X

0,55

0,46

0,69

7

2

Y

0,48

0,91

0,69

10,5

3

 

T = de grondoppervlakte van de bestemmingszone

V = de maximaal realiseerbare vloeroppervlakte

O = de niet-bebouwbare grondoppervlakte

H = de maximaal toegelaten bouwhoogte

(= kroonlijsthoogte in m)

 

Boven de kroonlijsthoogte is het toegestaan een technische verdieping te voorzien. Deze bouwlaag is maximaal 3m hoog en dient ten opzichte van alle gevels 4m achteruit te springen.

 

 

Diepte van de bouwvolumes

De diepte van bouwvolumes, dit is de afstand tussen enerzijds een voorgevel of een gevel
parallel met de voorgevel en anderzijds de ertegenover gesitueerde achtergevel, bedraagt
maximaal 15m.

 

 

Dakhelling en nokhoogte

Voor de hoofdgebouwen zijn hellende daken verplicht. Voor eventuele aanbouwen zijn platte daken verplicht. Ronde daken zijn niet toegelaten. Indien een hellend dak wordt voorzien, is het toegestaan een deel van de woning in de dakruimte te voorzien. De nokhoogte mag variëren tussen de 4m en 7m boven de kroonlijsthoogte.

 

 

Materialen

Alle definitief zichtbaar blijvende delen van gebouwen of gelijk welke andere constructie
moeten als voorgevel worden behandeld voor wat betreft de keuze van materialen en de
afwerking. In principe zijn alle gevelmaterialen toegelaten indien ze constructief en
esthetisch, zowel voor het betreffende gebouw als voor de omgeving, verantwoord zijn. Zichtbaar verwerkte snelbouwstenen en betonblokken zijn niet toegelaten.

Een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren, zowel voor één gebouw als binnen de volledige bestemmingszone, dient vermeden te worden. De bouwvolumes binnen elke zone dienen als één architectonisch geheel over te komen.

 

Uitsprongen uit de gevels

Uitsprongen uit de gevelvlakken voor erkers of balkons zijn toegestaan. De uitsprongen hebben een maximale diepte van 1m. De uitsprongen dienen tevens een minimale afstand van 1m ten opzichte van de hoeken van het bouwvolume te respecteren. Bij toepassing van erkers mag per gevel de uitgesprongen geveloppervlakte in totaal niet meer dan 1/3 van het totale gevelvlak bedragen.

 

 

Parkeergelegenheid

Parkeergelegenheden worden zowel in de zone X als de zone Y toegelaten en mogen uitpandig in open lucht worden voorzien. Het aantal parkeergelegenheden in de zones X en Y samen wordt beperkt tot 40 eenheden. De parkeergelegenheden worden zoveel mogelijk (richtcijfer 85%) voorzien in de zone X, aansluitend op de Mortselsesteenweg. De parkeergelegenheden in de zone Y worden enkel toegelaten in functie van het optimaal functioneren van de activiteit in hoofdbestemming (leveringen,...) en worden zoveel mogelijk tot een minimum beperkt.

 

9.1.3. Onbebouwde ruimte

 

De onbebouwde oppervlakte wordt aangewend voor lokale ontsluiting van de individuele bouwvolumes of wooneenheden, voor terrassen, tuinen en groenvoorzieningen.

 

De groenterreinindex van de onbebouwde ruimte bedraagt minimaal 0,5. De materialen van de verharde oppervlakte dienen waterdoorlatend te zijn.

 

Er mogen levende hagen, al dan niet in combinatie met draadafsluitingen, worden aangebracht. De hoogte van de hagen en draadafsluitingen bedraagt maximaal 1,80m. Gesloten muurconstructies of afsluitingen zijn niet toegelaten. Bergplaatsen en tuinhuisjes zijn toegelaten voor zover zij beantwoorden aan de bepalingen van niet-vergunningsplichtige constructies.