3 VOORSCHRIFTEN

 

3.1 Opzet van het RUP

Het doel van het RUP is een kader te geven voor toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Daarom is er geopteerd om de omliggende bebouwing niet mee te nemen binnen de afbakening van het RUP maar enkel het projectgebied. De tunnel onder de spoorlijn is wel mee opgenomen omdat dit een essentieel onderdeel vormt van het masterplan en er zo in het RUP minimale kwaliteitseisen opgelegd kunnen worden. Het kantoorgebouw in de Berkenrodelei is een omgevingsvreemd gebouw dat historisch gezien en naar eigendomssituatie toe samenhangt met de site. Om een samenhangende en kwalitatieve invulling te beogen is het gebouw mee opgenomen in het RUP.

3.2 Afbakening grafisch plan

Vermits het RUP bedoeld is als kader voor de herontwikkeling van de oude Scanfilsite worden enkel de te (her) ontwikkelingen zones opgenomen in het plangebied.

Het plangebied wordt begrensd:

  • in het westen door de spoorlijn en spoorlijntalud (eigendomgrens van Infrabel), behalve ter hoogte van de fietstunnel; deze wordt mee opgenomen in het plangebied omdat de realisatie en beoogde beeldkwaliteit onlosmakelijk verbonden is met het plan.

  • in het zuiden door de achterste perceelsgrens van de bestaande bebouwing in de Louisalei; de Hertoglei en toegang tot de site vanaf de Louisalei (aanknoping fietsas) maakt deel uit van het plangebied.

  • in het oosten door de achterste perceelsgrens van de bestaande bebouwing in de Berkenrodelei en door de grens met het openbaar domein; de drie bestaande woningen in de Berkenrodelei die behouden en geïntegreerd worden in een nieuw bouwblok worden niet opgenomen in het plangebied.

  • in het noorden door de perceelsgrens van de bestaande bebouwing in de Fodderiestraat.

3.3 Opzet voor de voorschriften

In het ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) wordt de gewenste bestemming, inrichting en/of beheer gebiedsgericht vastgelegd. De voorschriften hebben een verordenend karakter, dit wil zeggen dat ze de juridische basis vormen voor het verlenen van een stedenbouwkundige en verkavelingsvergunning.

In het RUP worden de nodige kwaliteitscriteria vastgelegd om de gewenste invulling en samenhang te waarborgen. De stedenbouwkundige krachtlijnen van het masterplan worden doorvertaald in het RUP. Dit RUP is een evenwichtsoefening tussen enerzijds het vastleggen en garanderen van de ruimtelijke richtlijnen voor de toekomstige ontwikkeling uit het masterplan, en anderzijds het openlaten van architecturale mogelijkheden (b.v. in het kader van toekomstige wedstrijden) voor ontwikkelingszones waarvoor het opgemaakte masterplan slechts een indicatie geeft.

 

3.4 Zonering en opbouw RUP

Het plangebied wordt opgedeeld in zes zones; twee zones voor wonen, een zone voor groen ,een zorg- en recreatieve cluster en een zone voor publiek domein.

In de zones voor wonen wordt een onderscheid gemaakt tussen de centrale woonvelden die woonlinten vormen met een centraal semi-publiek binnengebied (Wo1) en de randbebouwing (Wo2) die als gesloten bouwblokken zijn geconcipieerd. De interne ontsluitingsstructuur is als zone voor publiek domein (Pu) aangeduid en begrensd de woonvelden en bouwblokken. De zonegrens is echter niet te beschouwen als rooilijn: ook delen van de zone voor wonen kunnen opgenomen worden in het openbaar domein.

Een woonveld of deelgebied is de eenheid die minimaal in z’n geheel ontwikkeld moet worden: het programma en de inrichtingsvoorschriften wordt op dit niveau vastgelegd. De respectievelijke woonvelden en deelgebieden worden daarom met een apart subnummer aangeduid.

Het buurtpark tussen de woonontwikkeling en de spoorlijn ligt in de zone voor groen (Gr). De zorgcluster (z) en de recreatieve cluster inclusief parking (r) + (p) worden als aparte zones afgebakend waarbij het park een evenwaardige nevenbestemming is: de delen die niet gebruikt worden voor resp. gemeenschapsvoorzieningen en recreatie (+ parking) maken deel uit van het park. Op het grafisch plan worden voor de zorg- en recreatieve cluster zones afgebakend waarbinnen de bebouwing en bijhorende buitenactiviteiten moet worden voorzien om te vermijden dat het park zou versnipperd worden.

De recreatieve cluster en bijhorende parking (r) + (p) bevindt zich aan de zuidzijde van het park, langs de Hertoglei. De noordelijke gevel van de huidige sporthal vormt de noordelijke grens van de contour: hierdoor wordt een uitbreiding in noordelijke richting vermeden. Rond de structurele fietsas wordt een strook gevrijwaard als park en buiten de contour gehouden. Bovendien kan in geval van herbouw of uitbreiding de inplanting mee door de stad bepaald worden bepaald omdat zij, na overdracht, eigenaar wordt van het gebied rond de sporthal.

De zorgcluster (z) bestaat uit een sokkel en 3 torens die zich ruimtelijk positioneren tussen het woonweefsel aan de oostzijde en de industrie en spoorwegberm aan de westzijde. De zorgcluster wordt daarom aan de westzijde van het park, langs de Hertoglei, ingeplant. Vermits de inplanting op het masterplan slechts indicatief is en nader bepaald wordt in een wedstrijd wordt ervoor geopteerd om de contour van de zorgcluster op basis van randvoorwaarden vanuit de omgeving te bepalen. Zo dient de hoogbouw voldoende afstand te bewaren ten opzichte van de woonzones. De noordoostelijke grens ligt daarom op 15 m van de zone voor publiek domein die op haar buurt 15,50 m van het bouwblok Wo2a ligt. De afstand tussen de meest noordelijke toren (maximum 9 bouwlagen) en de dichtstbijzijnde bebouwing is hierdoor steeds groter dan de bouwhoogte (45° regel) waardoor de schaduwwerking wordt beperkt. Om te vermijden dat de samenhang en beleefbaarheid van het park zou worden aangetast door een brede zorgcluster, wordt op 35 m van de voorbouwlijn (Hertoglei) de westelijke grens van de zorgcluster vastgelegd. Tot slot wordt er ook een minimale afstand ten opzichte van de recreatieve cluster bepaald (omschreven in de voorschriften). Binnen de contour blijft er voldoende flexibiliteit om de inplanting op basis van een kwalitatief architecturaal concept te bepalen. De kwaliteit hiervan zal worden beoordeeld door de welstandcommissie.

De Hertoglei heeft vanaf de spoorovergang tot aan de zorgcluster (toegang tot ondergrondse parking) enkel een functie als ontsluitingsweg: de erfontsluiting is daarom indicatief aangeduid. Het park moet visueel doorlopen tot aan de spoortalud: dit betekent dat de weg optimaal geïntegreerd moet worden in het park.

 

3.5 Algemene voorschriften

In dit hoofdstuk worden bijkomende verduidelijkingen gegeven bij de stedenbouwkundige voorschriften. Voor een aantal artikels is geen bijkomende toelichting nodig en wordt enkel de titel vermeld.

De voorschriften zijn een aanvulling op de Bouwcode die steeds moet worden toegepast. Indien er een strijdigheid is tussen beide, primeren de voorschriften van dit RUP.

3.5.1 Afstemming categorieën van gebiedsaanduiding

 

3.5.2 Inpassing gebouwen in stedelijke context

Dit is een voorschrift om bij de vergunningsaanvraag te kunnen beoordelen of de inpassing in de omgeving op een voldoende kwalitatieve manier gebeurt.

3.5.3 Werken van algemeen belang

Werken van algemeen belang, aanleg van nutsleidingen of noodzakelijke infrastructuurwerken worden overal binnen het plangebied toegestaan.

3.5.4 Duurzame bouwtechniek

Geen bijkomende toelichting

3.5.5 Akoestische maatregelen

Door de gebouwen op een goede manier in te planten, bewust om te gaan met de gevelopbouw (openingen,…) en hoge isolatienormen te hanteren die geluidswerend zijn, moet mogelijke geluidshinder t.g.v. auto- en spoorverkeer vermeden worden. Bijzondere aandachtszones zijn de strook langs de Berkenrodelei (woonontwikkeling) en langs de spoorlijn (zorgcluster).

3.5.6 Referentiepeil

Gelet op de aanwezige hoogteverschillen is het belangrijk om een referentiepeil te bepalen. De toegelaten bouwhoogte en aantal bouwlagen wordt bepaald ten opzichte van het referentiepeil.

3.5.7 Parkeernormen

De parkeernormen gelden voor alle functies in het plangebied. Voor woningen geldt overal dezelfde norm; de inrichtingvoorwaarden (b.v. al dan niet verplicht ondergronds, locatie toegangen,…) worden per zone bepaald.

3.5.8 Terminologie

Definitie van begrippen zoals algemeen toegepast door de stad Antwerpen.

 

 

3.6 Bijzondere voorschriften

 

 

Artikel 1: Zone voor wonen – woonvelden (Wo1)

 

3.6.1.1 Bestemming

 

  • De zone is bestemd voor wonen en met het wonen verweefbare activiteiten en voorzieningen. Er is voor detailhandel, horeca en kantoren en diensten een oppervlaktebeperking opgenomen om de dynamiek en parkeerdruk beperkt te houden

 

3.6.1.2 Inrichting

 

1.2.1 Woonvelden

  • De maximale bruto-vloeroppervlakte (V) en het maximum aantal woningen wordt per woonveld vastgelegd: de cijfers zijn gebaseerd op het masterplan dat een ruimtelijk evenwichtig en realiseerbaar programma voorstelt; de (half-)ondergondse parkings worden niet meegerekend in de bruto-vloeroppervlakte.

  • Om voldoende groen te garanderen wordt voor elk woonveld een minimale groen-terreinindex (G/T) van 0,50 vastgelegd: de groenoppervlakte is de som van de oppervlakte van private tuinen en het collectieve binnengebied; groendaken worden niet meegerekend. Om de oppervlakte G gemakkelijk te kunnen berekenen worden kleine constructies, paden en verhardingen niet meegerekend. De terreinoppervlakte (T) is de oppervlakte van de betreffende deelzone volgens de afbakening op het grafisch plan:

    • Wo1a: T = 10.161 m²

    • Wo1b: T = 6.814 m²

    • Wo1c: T = 4.799 m²

    • Wo1d: T = 3.244 m²

1.2.2 Plaatsing van de bebouwing

  • indien in het kader van de beoogde beeldkwaliteit een terugspringende voorgevelbouwlijn voorkomt, dient de verharding tot aan de voorgevel te worden doorgetrokken: de tussenliggende strook wordt vervolgens overgedragen naar het openbaar domein

 

1.2.3 Afmetingen van het hoofdgebouw

Geen bijkomende toelichting

1.2.4 Private buitenruimte

Grondgebonden eengezinswoningen moeten beschikken over een private tuin; voor de overige woningen wordt de minimale buitenruimte bepaald door art. 36 van de Bouwcode, d.w.z min. 2 m² per verblijfsruimte (leefruimte, keuken, slaapkamer, kamer, kantoor/bureel) die in de woning wordt voorzien.

 

1.2.5 Koptorens (indicatieve aanduiding)

  • de inplanting van de koptorens is indicatief aangeduid op het grafisch plan; om schaduwwerking en inkijk te beperken bedraagt de afstand ten opzichte van de aaneengesloten woonstrip minimum 15,00 m en wordt ook een minimale afstand ten opzichte van de zuidelijke zonegrens / plangrens (i.e. de percelen in de Louisalei) vastgelegd

 

1.2.6 Parkeren

De parkeernorm geldt per bouwaanvraag: door het groeperen van verschillende woonvelden in één bouwaanvraag kan in het ene woonveld minder en in een andere woonveld meer parkeerplaatsen worden gerealiseerd, op voorwaarde dat globaal de norm wordt gehaald.

De ondergrondse parkings wordt onder de bouwstrips voorzien zodat in het binnengebied bomen in volle grond kunnen worden geplant. De toegangen tot de ondergrondse parkeergarages voor gemotoriseerd verkeer zitten op de koppen (onder de staartgebouwen) en zijn geïntegreerd in het bouwvolume. De toegangen voor voetgangers geven rechtstreeks uit op het openbaar domein en zijn gelegen op logische looproutes waardoor ze niet enkel gebonden zijn aan de bebouwing die zich boven de parking bevindt.

1.2.7 Groene dooradering (indicatieve aanduiding)

Geen bijkomende toelichting

 

 

3.6.1.3 Beheer

 

1.3.1 Fasering

Geen bijkomende toelichting

1.3.2 Groenaanleg

Het is belangrijk dat ook de aanleg van de collectieve buitenruimte en de inrichting van de aangrenzende woonerven gelijktijdig met de bouw van de woningen gebeurt.

 

Artikel 2: Zone voor wonen – bouwblok (Wo2)

 

3.6.2.1 Bestemming

 

  • De zone is bestemd voor wonen en met het wonen verweefbare activiteiten en voorzieningen. Er is voor detailhandel, horeca en kantoren en diensten een oppervlaktebeperking opgenomen om de dynamiek en parkeerdruk beperkt te houden

 

3.6.2.2 Inrichting

 

2.2.1 Deelzone

  • De maximale bruto-vloeroppervlakte (V) en het maximum aantal woningen wordt per woonveld vastgelegd: de cijfers zijn gebaseerd op het masterplan dat een ruimtelijk evenwichtig en realiseerbaar programma voorstelt; de (half-)ondergondse parkings worden niet meegerekend in de bruto-vloeroppervlakte.

  • Voor deelzone Wo2e wordt de maximale brutovloeroppervlakte en het maximaal aantal woningen niet op voorhand vastgelegd, maar beoordeeld op basis van een globaal voorstel voor de projectzone (art. 2.2.6);

  • Om voldoende groen te garanderen wordt voor elk woonveld een minimale groen-terreinindex (G/T) van 0,50 vastgelegd: de groenoppervlakte is de som van de oppervlakte van private tuinen en het collectieve binnengebied; groendaken worden niet meegerekend. Om de oppervlakte G gemakkelijk te kunnen berekenen worden kleine constructies, paden en verhardingen niet meegerekend. De terreinoppervlakte (T) is de oppervlakte van de betreffende deelzone volgens de afbakening op het grafisch plan:

    • Wo2a: T = 6.498 m²

    • Wo2b: T = 3.250 m²

    • Wo2c: T = 1.738 m²

    • Wo2d: T = 1.678 m²

    • Wo2e: T = 3.932 m²

 

2.2.2 Plaatsing van de hoofdgebouwen

  • indien in het kader van de beoogde beeldkwaliteit een terugspringende voorgevelbouwlijn voorkomt, dient de verharding tot aan de voorgevel te worden doorgetrokken: de tussenliggende strook wordt vervolgens overgedragen naar het openbaar domein

  • indien de voortuinstrook een diepte heeft van 2 m of meer en een privaat karakter heeft, is men volgens de bouwcode (art 48) verplicht om de voortuin van de openbare weg af te scheiden door een levende afsluiting, een muurtje of een hek. Het deel dat voorzien is voor de noodzakelijke toegangswegen hoeft niet afgescheiden te worden.

 

 

2.2.3 Afmeting en voorkomen van de hoofdgebouwen

Geen bijkomende toelichting

 

2.2.4 Private buitenruimte

Grondgebonden eengezinswoningen moeten beschikken over een private tuin; voor de overige woningen wordt de minimale buitenruimte bepaald door art. 36 van de Bouwcode, d.w.z min. 2 m² per verblijfsruimte (leefruimte, keuken, slaapkamer, kamer, kantoor/bureel) die in de woning wordt voorzien

Gesloten voortuinafsluitingen en levende afsluitingen of hekken hebben volgens de bouwcode en art 2.2.4 een hoogte van maximaal 0,80 m. Het kan wenselijk zijn (doch niet verplicht) om voor een kwalitatieve afscherming van de parkeerclusters in Wo2a, een hoger hekwerk te voorzien. Dit kan volgens de Bouwcode en wordt bijgevolg niet bijkomend opgenomen in het RUP.

 

2.2.5 Parkeren

De parkeernorm geldt per bouwaanvraag: door het groeperen van verschillende deelzones in één bouwaanvraag kan in de ene deelzone minder en in een andere deelzone meer parkeerplaatsen worden gerealiseerd, op voorwaarde dat globaal de norm wordt gehaald.

De toegangen tot ondergrondse parkeergarages voor gemotoriseerd verkeer zijn indicatief aangeduid op het grafisch plan: ze worden geïntegreerd in het bouwvolume. De toegangen voor voetgangers geven rechtstreeks uit op het openbaar domein en zijn gelegen op logische looproutes.

In deelzone Wo2a wordt gewerkt met gegroepeerde parkeerclusters die al dan niet afgescheiden zijn met een hekwerk. In Wo2d en 2e wordt het parkeren opgevangen op het eigen perceel (carport).

 

2.2.6 Projectzone

De uitwerking van de projectzone dient te gebeuren als één samenhangend project en moet voldoen aan volgende bepalingen:

  • De bebouwing aan de westzijde (aan de zone voor Publiek Domein) vormt een geheel met de rest van het bebouwingslint (zie Wo2d); er moet specifieke aandacht worden besteed aan het creëren van een goede hoekoplossing (overgang met Wo1d)

  • De bebouwing in de Berkenrodelei wordt zo goed mogelijk ingepast in de bestaande straatbeeld. Het gabariet wordt hierop afgestemd.

 

3.6.2.3 Beheer

 

2.3.1 Fasering

Geen bijkomende toelichting

 

 

Artikel 3. Zone voor groen – buurtpark (Gr)

 

3.6.3.1 Bestemming

 

  • aanhorigheden bij het park zijn o.a. meubilair, verlichting, speeltoestellen, …

  • aanhorigheden bij de openbare wegenis zijn o.a. al dan niet verharde bermen, grachten en taluds, voetpaden, fietspaden, de stationeer- en parkeerstroken, de wegsignalisatie en wegbebakening, de verlichting, de afwatering, de beplantingen, de veiligheidsuitrustingen zoals stootbanden en hulpposten, de geluidswerende constructies

 

3.6.3.2 Inrichting

 

3.2.1 Buurtpark

De hoofdbestemming is park: alle werken in functie van de aanleg als buurtpark inclusief aanhorigheden en maatregelen voor waterbeheersing zijn toegelaten.

3.2.2 Erfontsluiting (indicatieve aanduiding)

De weg wordt ingericht als parkweg: dit betekent dat de weg deel uitmaakt van het park en de beeldkwaliteit afgestemd is op de parkaanleg.

3.2.3 Structurele fietsas (indicatieve aanduiding)

Geen bijkomende toelichting

3.2.4 Voorkooprecht

Voor de volledige zone met inbegrip van park, zorgcluster en recreatieve cluster wordt door middel van het RUP een voorkooprecht ingevoerd. Dit voorkooprecht geldt voor een periode van 15 jaar vanaf de inwerkingtreding van het RUP.

 

Artikel 4: Zone voor maatschappelijke functies en groen – zorgcluster

 

De gemeenschapsvoorzieningen (i.e. de gebouwen en bijhorende buitenruimte) moeten binnen de contour die aangeduid is op het grafisch plan worden ingepast. Dit wil niet zeggen dat de volledige contour mag ingevuld worden. De niet benutte delen, zijn bestemd als park en maken hiervan onderdeel uit van het groter geheel.

3.6.4.1 Het toegelaten bouwvolume van de gemeenschapsvoorzieningen wordt bepaald op basis van volgende componenten:

  • een sokkel met een maximale vloeroppervlakte van 2.500 m², in deze oppervlakte zit de bij de functie horende buitenruimte en ondergrondse gebouwdelen niet vervat

  • 3 torens met serviceflats met een gezamenlijke maximale vloeroppervlakte van 11.500 m²

 

 

Artikel 5: Zone voor recreatie en groen – recreatieve cluster

 

De zone bestaat uit:

  • een gebouw (sporthal) waarin sport- en recreatieve functies en ondersteunende nevenfuncties zijn toegelaten voor zover deze niet te sterk verkeersgenerend zijn

  • een parking van max. 100 parkeerplaatsen

  • openlucht tennisterreinen

  • de niet benutte delen zijn bestemd als park: hierin kunnen kleinschalige, in een park integreerbare aanhorigheden (b.v. petanquebaan, speelterreinen,…) worden ingepast

3.6.5.1 De voetafdruk van het gebouw is maximaal 4500 m², i.e. gelijk aan de huidige voetafdruk van de sporthal: dit betekent dat er geen uitbreiding in grondoppervlakte is toegestaan, enkel in de hoogte. Bij (gedeeltelijke) afbraak en herstructurering van de recreatieve cluster zal op basis van de vergunningsaanvraag beoordeeld worden op basis van de impact op de omgeving (bouwzone langs Hertoglei) en het park. Een verschuiving van de bebouwing in oostelijke richting (richting fietsas) is niet wenselijk omdat het zicht op het park komende vanuit de Louisalei hierdoor wordt beperkt. Om het park zo groot mogelijk te houden, valt de noordelijke grens van de contour ongeveer samen met de noordelijke gevel van de sporthal waardoor een verschuiving in noordelijke richting wordt uitgesloten.

 

 

Artikel 6. Zone voor publiek domein (Pu)

 

3.6.4.1 Bestemming

 

  • Onder aanhorigheden van wegeninfrastructuur wordt onder andere verstaan: al dan niet verharde bermen, grachten en taluds, voetpaden, fietspaden, de stationeer- en parkeerstroken, de wegsignalisatie en wegbebakening, de verlichting, de afwatering, de beplantingen, de veiligheidsuitrustingen zoals stootbanden en hulpposten, de geluidswerende constructies.

 

3.6.4.2 Inrichting en beheer

 

6.2.1 Algemeen

Ter hoogte van de spoorlijn wordt enkel de fietstunnel bestemd als publiek domein. De spoorinfrastructuur en het bijhorende spoorlichaam blijven hun verkeers- en voersfunctie behouden (lijnaanduiding op gewestplan blijft behouden)

6.2.2 Structurele fietsas (indicatieve aanduiding)

Geen bijkomende toelichting

 

6.2.3 Onderdoorgang (overdruk) = fietstunnel

  • Voor de realisatie van de fietstunnel is een zone aangeduid. Dit geeft de vrijheid om hierbinnen de exacte locatie van de fietstunnel te bepalen, waarbij rekening gehouden moet worden op een logische en veilige aansluiting op de omliggende fietsroutes (o.a. centrale fietsas in het park) en de relatie met het openbaar domein.

  • De minimale afmetingen zijn obstakelvrije hoogte en breedte: dit betekent dat er voldoende marge moet zijn op b.v. panelen i.f.v. kunstproject te kunnen voorzien.

 

6.2.4 Publiek domein tussen woonvelden

  • De opgelegde breedte van 16,50 m is bedoeld om het groen via het publiek domein te kunnen doortrekken tot in het binnengebied Er gelden in functie van het beoogde groene beeld specifieke inrichtingsvoorschriften.

 

 

 

3.7 Op te heffen voorschriften

Na de inwerkingtreding van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, worden de bestemmingen en de bijhorende voorschriften van het gewestplan, die binnen de begrenzing van dit gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan liggen, opgeheven en vervangen door de bestemmingsvoorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

Volgende bestemmingen van het gewestplan nr. 14 Antwerpen (KB 03/10/1979) worden door de opmaak van het RUP effectief opgeheven: woongebied en gebieden voor dagrecreatie.

Volgens artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen geldt voor de woongebieden:

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven.

Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.

Volgens artikel 16.5.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen geldt voor dagrecreatie:

De gebieden voor dagrecreatie bevatten enkel de recreatieve en toeristische accommodatie, bij uitsluiting van alle verblijfsaccommodatie.